terug naar index
’n Leeuw van Vlaanderen

Door de ogen van de jonge christen-democratische advokaat Robert (in werkelijkheid Hector Planquaert) beschrijft Buysse een woelige betoging in Gent.

Het was er een indrukwekkend schouwspel. De grote plaats, zwart van krioelende menigte, gonsde en bruiste, als een donkere, deinende zee. De woeling en 't lawaai sloegen, als uit de diepte van een afgrond, naar de hoge ramen op. Enorme mensenmassa's verdrongen zich naar voren, onder de naakte, donkere bomen, allen in de richting van de verre brede straat, die op de Grand-Place uitkwam. Gejaagd, hun blote sabels en hun punthelmen glimmend in het gele schijnsel van de lantarens, liepen ontelbare politieagenten heen en weer, het midden van de straatweg op en de foule als twee zwarte muren op een afstand houdend. De stoet was nog niet in 't zicht, maar men hoorde hem naderen. Men hoorde, achter de hoge rij huizen, die het ene uiteinde van de plaats begrensde, als loeiend opstijgende walmen van muziek en zang, en wild geschreeuw en daverend gejoel, en af en toe schel-vibrerend gefluit. Toen verscheen er een dansend-weerlichtende gloed over de verre witte gevels aan de overkant, een gloed eerst zwak en bleek, als weifelende lichtschimmen, van lieverlede feller, breder, vuriger, in snelle, reusachtige vegen weerkaatsend-oplaaiend als een brand van de stoepen tot de daken, met helder afgetekende vooroverhellende gestalten en gezichten aan de open ramen; en uit een dwarsstraat kwam plotseling de fakkeltocht te voorschijn, zingend, schreeuwend, met tromgeroffel en klaroengeschal, met wapperende vlaggen en schitterende transparanten, met strijdfanfares en gejuich, met honderden en honderden gekleurde papieren lantaarntjes, die alle rechts omzwenkend op de hoek van de dwarsstraat, als de ringen van een kolossale, rijkkleurig geschubde vuurslang, door de wild joelende, zwart op elkaar geperste menigte, in de richting van de Grand-Place geslingerd kwamen (...)
Met duizenden, in fantastisch kleurengeflonker, waren zij nu reeds in 't zicht, en oorverdovend galmden door elkaar de strijdzangen en kreten. Tragisch-rood laaiden de stomende fakkels van de socialisten, tragisch-rood wapperden hun brede rode vlaggen, als lappen van bloed. Lijkkleurig-vaal waren daaronder de bleke, magere gezichten van de arbeiders met hun donker-starende dwepersogen. Dreigend-eisend spraken de zwartuitgeknipte letters op de witte transparanten en cartels van ‘Gelijkheid voor allen! Weg met het kapitalisme! Brood of dood!’ De groep van de progressisten had zich insgelijks onder de rode vlag geschaard, met Kappuijns en Hardan arm in arm aan het hoofd, en onverpoosd weergalmde, onder fanfaren- en klaroengeschal, de ‘Marseillaise’, als een strijdzang van wraak en vernieling. Kalmer, en veel minder talrijk defileerden daarna de liberalen met hun blauwe vlag en hun blauwe lantaarntjes, en dan kwam weer de drukke, verenigde groep van christelijke democraten en van flaminganten, met groene vlag en groene lantaarntjes, onder het breed opgalmend zingen van de ‘Vlaamse Leeuw’.

 

 

Uit:
Cyriel Buysse: ’n Leeuw van Vlaanderen (1900), geciteerde ed. Verzameld werk, dl. 1 (1974), p. 969-971


Vind dit boek in de bibliotheek Gent