terug naar index
De castraattenor

Twee vroegere verhalen zijn door de auteur Raoul Wijnakker, ex-schepen van de stad Gent, samengebracht en herschreven: De Paaseilanders (1960, onder het pseudoniem Alfons de Harduwijn) en Het binnenschip (1965).
De castraattenor en ik vangt aan met een surrealistische belevenis in de duistere Gentse nacht.

 

Als de castraattenor des nachts zijn gebrul verheft, vluchten de kwezels in de boezem der huizen, waar ze huiverig de lichten doven. Er hangt dan over de stad een donkere stilte. Alleen het morgengloren kan deze oerschreeuw verdrijven. In die nachten houd ik het meest van de straten en stegen, waar spoken en geesten, die uit de kelders en graven zijn opgedoken, met wanhopig gesperde handen aan de muren kleven, in de spermaceet die de potvissen der Noormannen duizend jaar geleden in de vijvers van de Sint-Baafsabdij hebben achtergelaten. In de bibliotheek van abt Rapha l de Marcatellis (1437-1508) getuigen manuscripten van deze raadselachtige gebeurtenissen, die tot nu toe onopgehelderd gebleven zijn. Volgens sommige geleerden moeten zij in verband gebracht worden met de profetische verwachting, die rond de jaren duizend opgedoken is, van de overspelige geboorte van de grote bibliofiel, die als de meest verkwistende bastaard van Filips de Goede de geschiedenis ingegaan is. Nu nog zoeken de Gentse stadsarcheologen naar de aard en de oorsprong van de vette, amberkleurige vloeistof, die zelfs de modernste detergenten niet van de muren en gevels kunnen losweken. (...)

Ik vermoedde dat de castraattenor zich bij dag en licht schuil hield in de meestertoren van het Gravensteen en vandaar bij nacht en donker afdaalde naar de doolhof van het Patershol, waar hij verdween in de overwelving van de Plotersgracht. Ondanks het geduld en de moeite van mijn bezeten zoektochten was ik er nooit in geslaagd de man te betrappen wiens baardeloze knapenstem de hele stad in zijn angstige ban hield. Die avond vond ik hem.
 Als een gekruisigd vierpotig insekt was hij met borst, onderlijf, armen en benen tegen de oostelijke muur van het Vrouwebroersklooster gevangen en gekleefd in de spermaceen, die kleveriger was dan ooit voorheen. Over zijn naakte rug, die ik belichtte met de gele schijn van een zaklamp, spoedden zich onduidelijke insekten die als ijverige mieren in de weer waren.

 Andreas op zijn kruis had geen schrijnender schamelheid aan mijn verbazing en verwarring kunnen bieden. De gekleefde castraattenor wendde het hoofd en keek mij aan met de ogen van een stervend paard. Maak mij los, zong hij, maak mij los. Ik greep zijn schouders en trok uit alle macht, maar de spermaceen loste zijn slachtoffer niet. Als het mij gelukte het bovenlichaam enkele centimeters van de muur te verwijderen, klapte het weer tegen de stenen terug, omdat mijn spieren het telkens door krampen begaven. Tot mijn afgrijzen zag ik dat mijn handen door de kleefstof met zijn schouder versmolten, zoals degene die een ge lektrokuteerde ter hulp snelt, tot de dood in dezelfde schokkende marteling   n wordt. De castraattenor moedigde mij aan met liederen uit de Italiaanse renaissance, met aria's uit het ijzeren repertorium en, toen hij zag dat ik de volstrekte uitputting nabij was, met Gregoriaans gezang. Alleen het naderhand nooit verklaarde verschijnsel van de vroegtijdige dageraad heeft ons beiden gered.

Uit:

Raoul Wijnakker: De castraattenor en ik (1986), p. 8-10



Vind dit boek in de bibliotheek Gent