terug naar index
De Rolle

Tegen de St. Jacobskerk lag er een oud en uitgestrekt gesticht; men noemde het “De Rolle” omdat het daar was dat men vroeger de kinderen bracht die men te vondeling legde.
Die tijd was voorbij; de zusters hadden ’t gesticht verlaten en nu waren de talrijke kamers verhuurd aan wie ze geschikt vond. Jan trof er een heel kleintje met een groot venster dat uit een binnenhof lucht schepte. ’t Was maar een armzalige woning; wat gaf dat, ’t was toch slechts voor enkele dagen.
(…)
Naast de benepen kamers in de “Rolle” zijn er ruimere die tot werkplaats voor kunstenaars dienen.
Zoo had Jan precies een kunstschilder tot buurman.
Artisten zijn dikwijls zonderlinge gasten, halve zotten, zegt men. Daarom misschien houden ze niet veel van menschen gelijk ik en gij. Hun voorliefde gaat naar hen die de wereld een beetje lichtzinnig doorwandelen en in de samenleving losloopen, gelijk jonge honden.
Jan leek naar zoo’n model uitgeknipt; de kunstenaar van de “Rolle” hadden hem gauw in de gaten. Het duurde niet lang of hij was hun vriend. Hij kreeg hun schoenen te lappen en dikwijls zat de eene of de andere op de sponde van zijn bed uren lang met hem te praten, terwijl Jan klopte, naaide en meestal over Parijs babbelde.

Uit:
Grégoire Le Roy: Fierlefijn (1934), p. 107 en p. 112


Vind dit boek in de bibliotheek Gent