terug naar index
Excursie op de Leie

- Wa goan we doen? Woar goan we noartoe? vroeg zij.
- 'n Heele excursie, zei hij. Eerst naar Afsnee, aan de Nénuphar. Doar 'n momentsje stille liggen en 'n potse kaffee drinke. Vandoar langs de Drei Leien noar 't Heilig Huizeke; vandoar tot in de Lange Rek en meschien tot aan Loathem; dan weere kome, nog ne keer peisteren aan de Nénuphar, den buut in de Club weere brengen en in de Vleurmuis goan soupeere.
- O! da zal geestig zijn! juichte Euzeke.

Nu roeide hij kalm-rytmisch door in stevigen, gladden kadansslag; en zij, aan de stuurbank gezeten, hield goed het schuitje in het midden der rivier. Zij schoren voorbij het Patijntje, waar ook een paar bootjes aangemeerd lagen, en waar vroolijk gepraat en gelach klonk van onzichtbare bezoekers uit het groenend geheim der priëeltjes; zij gleden vlug onder de hooge spoorwegbrug van 't Snepke en kwamen eindelijk in volle landelijke eenzaamheid, tusschen de lage, malsch-groene, bloeiende lente-oevers, onder de oneindige blauwe hemelkoepel met de hoogdrijvende, zilverwitte wolkjes. 't Was alles zoo ongerept jeugdig en frisch. Er zweefde een reine, gelukkige vredes-atmosfeer door de zachtwarme lucht. De populieren langs den oever hadden nog hun blondgele, doorschijnende kruinen van allereerste ontluiken, de witte madeliefjes en de gele boterbloempjes woekerden bij plaatsen in het gras, als met volle, milde handen uitgestrooide sterretjes van zilver en van goud; het geurde zoet alom van onnaspeurlijke aromen, en overal, als een melodie zonder begin en zonder eind, hingen de leeuwerikjes trillewiekend in de lucht te orgelen.

- O! da es toch alles schuun en gezond buite! zuchtte Euzeke.
- Ne woar? juichte hij. En zijn oogen glinsterden de hare tegemoet, vol blijde liefde en bewondering.

 

Uit:

Virginie Loveling en Cyriel Buysse: Levensleer (1912), p. 56-57



Vind dit boek in de bibliotheek Gent