terug naar index
Hongersnood !

Het verhaal speelt zich af rond 1340 toen Jacob van Artevelde een verdrag sloot met Engeland, waardoor de verarmde textielnijverheid eindelijk weer van wol werd voorzien.

Het was winter en nijpend koud. Op een zolderkamertje, in een houten huis der Wolvesteeg, dicht bij de Vrijdagsmarkt te Gent, zat eene jonge vrouw te zuchten en te weenen.
Zij was mager als een geraamte en het kindje, dat op hare knieën lag, kreunde pijnlijk en met zwakke stem. Zijne handjes waren rimpelig als die eener oude vrouw, zijne gelaatskleur was blauw en koortsvuur gloeide in zijn wijdgeopende oogjes.
“Arm Betteken, ween zoo droevig niet” snikte de jonge moeder. “Gij zijt ziek van honger en gebrek en ik heb geen korstje brood om u te spijzen, geen druppel melk om u te laven. Uw vader en zijne gezellen zitten werkeloos op de Vrijdagsmarkt.
Arm kind! wat zal er van ons geworden! In Gent is geen slag werk te vinden, alle weefgetouwen liggen stil… God weet! wanneer die akelige toestand veranderen zal!...”
Het scheen alsof de klagende stem der moeder het arme Betteken in slaap suste, want, langzamerhand verzwakte het gekreun om eindelijk geheel op te houden.
De moeder echter suste het wichtje voort en zag het bij wijlen aan met treurigen, doch liefderijken blik.
Eensklaps teekende zich eene ontzettende uitdrukking van schrik op haar bleek gelaat. Bettekens oogjes waren gesloten, haar lichaampje was stijf en onbeweeglijk, zij ademde niet meer en…
“Dood! dood! mijn kind is dood! gestorven van honger, verstijfd van koude!” gilde de arme vrouw met radeloozen schrik, waarop zij, het wichtje aan hare borst drukkend, de deur openwierp en huilend en weenend, de trap af, naar beneden stormde.
Weldra bevond zij zich in eene woonkamer, waar een jong meisje aan het ziekbed harer moeder was gezeten.
Bij het akelig gekerm der binnentredende, sprong de maagd ijlings op, terwijl de kranke zich in de bedstede oprichtte.
“Om Gods wil, bedaar, vrouw Katelijne, bedaar,” sprak het meisje, maar de vrouw schreide maar immer door en bedekte het aangezicht van haar Betteken met tranen en kussen.
“Ontkleed het kindje, leg het op tafel, Livina,” sprak de zieke moeder tot hare dochter, neem een wollen doek en wrijf het arme schaapje tot het bijkomt…” en uitgeput liet de zieke het hoofd weer op de peluw vallen.
Livina deed zoals de kranke had gezegd. Zij wreef het koude lichaampje, dat na eene poos weder warm werd, toen opende zij het mondje van het wichtje en goot eenige druppeltjes melk tusschen zijne paarse lipjes.
De doodskleur verdween van de magere wangetjes, het kind sloeg de oogleden op, en zijne zachte blauwe oogjes zochten de nog altijd weenende moeder.
“Goede Livina, heb dank!” kreet Katelijne, maar Livina scheen hare dankende woorden niet te hooren; zij bracht de vrouw bij den haard, dwong haar zich op eene bank neder te zetten en hare koude ledematen te verwarmen.
“Keer naar uw zolderkamertje niet terug, Katelijne,” sprak Livina, “blijf bij ons tot uw echtgenoot terugkeert…”
“Wij ook zijn ongelukkig,” vervolgde zij op de kranke wijzend, “maar eigen leed heeft bij ons de liefde niet uitgedoofd, die wij onzen evenmensch verschuldigd zijn.”
“Er is nog brood in de schapraai,” sprak de zieke moeder, “Livina, zet het Kathelijne voor en warm heur wat melk.”
“Ik dank u, Geertrui,” antwoordde Katelijne. “Gij zijt al te goed, gij zelve zijt ziek van gebrek en uw zoon Antoon is werkeloos.”
“Dezen morgen,” zei thans Livina, “verkocht ik bij den juwelier in de Geldmunt, den gouden ring, dien moeder van hare grootouders erfde. Van honger zullen wij dus niet sterven en de ongelukkige toestand waarin alle Gentenaars zich bevinden, zal veranderen.”
Katelijne schudde het hoofd. “In onze stad is alle nering uitgedoofd,” sprak zij treurig… “Nog altijd weigeren de Engelschen ons wol te zenden, nog veertien dagen en Gent sterft van honger en gebrek.”
“Hoop op de toekomst,” vervolgde Livina. “Heeft de Wijze Man niet beloofd met den koning van Engeland te onderhandelen en Vlaanderen van den ondergang te redden? Geloof mij, Katelijne, eer het laatste geldstukje, dat ik voor onzen gouden ring ontving verteerd zal wezen, zullen de neringen den arbeid hebben hervat.”
“Moogt gij waarheid spreken,” hernam de jonge moeder,… “maar de honger, de angst hebben mij, arme, het hopen afgeleerd.”
Eensklaps werd de huisdeur van buiten geopend en de twee mannen stormden juichend binnen.
“De Engelsche wol komt weer vrij in Vlaanderen!” riepen zij als uit eenen mond. De Wijze Man van Gent heeft ons gered! Nog drie dagen en de Neringen kunnen den arbeid hervatten!
De oogen der beide mannen straalden van blijdschap.
De jongste, Livina’s broeder, was een weversgezel, klein van gestalte, mager, doch ongemeen vlug in al zijne bewegingen.
Zijn gezel, de echtgenoot van Katelijne, was een groote, krachtige voller, met grove handen en sterkgespierde ledematen.
Hij nam zijn kind in de armen en trachtte zijne vrouw op te beuren.
Deze verhaalde hem, wat er gedurende zijne afwezigheid was voorgevallen en de stoere voller, veegde met zijne grove hand de tranen af, die hem over de wangen biggelden.
“Heb dank, Livina, heb dank, moeder Geertrui, stotterde hij… maar Livina hoorde niet.
Zij stond met haren broeder voor de bedsponde der kranke.
“Thans zult gij spoedig genezen, moeder,” lachte Antoon. “Naarstig en onvermoeid zal ik voor u werken, u vleesch en eieren koopen! Nog veertien dagen en, aan Livina’s arm, wandelt gij op de Vrijdagsmarkt.
De zieke glimlachte. Katelijne en Simon de voller, wilden met Betteken naar het zolderkamertje gaan, maar Antoon de wever hield ze terug.
“Boven is het veel te koud” sprak hij “warmt u bij den haard en deelt ons brood. Laten wij den avond gezellig doorbrengen en praten over den arbeid, dien wij welhaast zullen hervatten!”

Uit:

Uit: Marie Lievevrouw-Coopman: Ons vaderland : van de vroegste tijden tot de 15de eeuw (1904), p. 123-125



Vind dit boek in de bibliotheek Gent