terug naar index
In het waterstraatje

Het verhaal speelt zich af rond het einde van de 20ste eeuw.

Sedert vijf jaar werkte Fieneken op de fabriek en verdiende er tamelijk veel geld in de week. Ze was een vlug, opgewekt jong meisje geworden, die, evenals de machines in de groote fabriek, gedurig in beweging was en ’s middags, hoewel ze in eenen adem loopen kon, toch een half uur noodig had om naar huis te keeren.
Haar weg liep voorbij het Rabot, onder de Donkere Poort, in het Waterstraatje, voorbij den achterkant van het Gravenkasteel.
’s Morgens, heel vroeg, vertrok zij van huis; ze ging altijd met een paar andere meisjes mede in den winter, als het sneeuwde en vroor of als het heel glad was, gaven zij elkander den arm en lachten en praatten vroolijk, want fabriekmeisjes zijn altijd moedig, opgeruimd en werkzaam als gonzende bietjes; zelfs in den schoftijd of onderweg, ’s zomers als ze naar huis ging, breide Fieneken en verstelde kousen voor de buurvrouwen, die een huis vol kinderen en geen tijd hadden om het zelf te doen.
Het geld, dat zij daarmee verdiende, deed ze in haar spaarpot; ze telde het dikwijls en daar ze zuinig en vlijtig was, groeide het langzaam doch zeker aan.
Maar op een keer, zeiden de kameraadjes van Fieneken:
- Gaat ge mee zondag avond naar de Vlaamsche Comedie? en Fieneken zei – bij ja ik.
Fons de krullebol kocht de kaarten, twee dagen vooraf, zoodat ze tien centimes meer kostten en moeder liet haar Fieneken gaan, op voorwaarde dat ze, na de vertooning, te middernacht heel stipt weer thuis wezen zou.
Fons de krullebol was thans een flink jonkman geworden. Hij leidde Fieneken en hare gezellinnen naar hare plaats; ze zaten hoog, zeer hoog en Fons gaf de meisjes allerlei uitleg over het stuk, dat men speelde.
Een zwarte koning, - een Moor -, zei Fons, zat op een fluweelen troon en eene schaar mooie danseressen, allen in ’t wit gekleed, dansten voor hem. Eene, de mooiste, bood bloemen aan eene der prinsessen, die, in ruischende zijde, in een hoogen zetel, iets lager dan de koning zat.
- Zijne dochter, zei Fons, - kijk goed Fieneken, ze moet trouwen met den zwarten prins, die in ’t rood is gekleed en die met zijn gevolg achter de danseressen staat, maar ze heeft hem niet lief en wil enkel trouwen met den herdersjongen, die iederen dag zijne kudde grazen laat aan den voet van haar kasteel.
Maar Fieneken hoorde niet, de muziek bedwelmde haar en de trippelende voetjes der danseresjes brachten haar in verrukking.
- Ik wou dat ik eene prinses was en met mijn vader in een mooi kasteel woonde, zei ze halfluid, maar Fons trok de schouders op en ’t scheen net of hij boos was.
Na de vertooning leidden de jonge lieden uit het gezelschap de meisjes naar huis en brachten Fieneken tot aan het waterstraatje.
- Pas op voor de trap, zei Fons en nam met de anderen afscheid van het meisje.
Toen ze weg waren, bleef Fieneken aan den watertrap staan en keek omhoog naar de hooge tinne van het aloude grafelijk slot.
- Vroeger kwamen hier vaak koningen en koninginnen, had Fons verteld; voor honderden en honderden jaren woonden hier graven en gravinnen, hertogen en hertoginnen, voor het slot was eene ophaalbrug en, op den toren, hielden krijgslieden en trompetters de wacht.
- Net als in de Vlaamsche comedie, had Fieneken geantwoord en
Wel neen, had Fons gezeid, hier is alles waar gebeurd en in de comedie hebben de toneelschrijvers het uitgevonden.
- Waar gebeurd! waar gebeurd! had het meisje spottend gelachen, maar Fons zei, dat het ernstig was en er nog een onderaardschen gang bestond, die van uit het kasteel naar Wondelghem liep en ver voorbij de groote fabrieken in de velden uit kwam.
De maan kwam van achter de wolken vlak op het slot uitkijken en goot over het oude gebouw met zijne kanteelen en kijkgaten, met zijne torentjes en zijn rood dak, evenals over de lage, nederige huisjes in het waterstraatje, zilveren stroomen van phantastisch licht, maar menschen en dieren sliepen en alles wat stil, doodstil…
- Als ik ook maar een koningsdochter was, zuchtte Fieneken en nauw had zij dien wensch uitgesproken of ze hoorde in de verte een zacht opstijgend gerinkel van zilveren belletjes.
Zij luisterde en keek met uitgestrekten hals voor zich uit, tot aan den overwelfden ingang van het waterstraatje.
- De paardekens die zeere loopen, zei ze binnensmonds en sprong welgemoed in het koetsken, dat zij voorttrokken.
De koetsier liet zijne zweep klappen, de zilveren belletjes rinkelden en, in den maneschijn reed Fieneken, in haar koetsken, driemaal rondom het oude slot.
Op eens bleven de paardekens staan, vlak voor de ophaalbrug; ruiters in zilveren harnassen en witte pluimen boven de helmen stonden er voor en achter; ze bliezen op zilveren hoornen en Fieneken keek naar de wachters op den walgang, die tusschen de kanteelen, drie maal door luid trompetgeschal het sein der ruiters beantwoordden.
De ophaalbrug werd nedergelaten, de inganpoort krijschte op hare hengsels en Fieneken met haar gevolg reed door de poort tot op de binnenplaats, waar de heele stoet uitstapte en, geleid door hofjonkers en edelknapen, zich richtte naar het slot waar, in de wapenzaal, op een rood fluweelen troon, de graaf van Vlaanderen gezeten was.
De krijgslieden schaarden zich langs de wanden en, in het voorbijgaan, stootten hunne lansen knetterend tegen elkander.
Fieneken deed hare intrede, aan den arm van een slanken krijgsman, die een schitterend harnas droeg en op het hoofd een helm had, met wuivende veder.
Het meisje waagde het om naar hem op te kijken en zag twee diepblauwe, strenge oogen boven een arendneus en daaronder een langen, hoogblonden knevel. Zij schrikte en sloeg de oogen neer en keek naar haar eigen persoontje, dat zij zelf moeite had om te herkennen, want, ze droeg een ruischend wit zijden kleed, dat met zwanedons was afgezet en daarboven een witten sluier, die over haar gezichtje hing.
De strenge krijgsman bracht haar tot voor den troon van den graaf; een heraut stelde hem de twee voor, terwijl hij met eene forsche stem, die luid weerklonk langs de hooge wanden: den Ridder van der Zwalm en zijne bruid, de edele jonkvrouw van der Lieve en Moere aankondigde.
Fieneken werd bang, hare knieën knikten, maar de strenge graaf, hoog op den fluweelen troon, groette minzaam en zei:
- Leidt de verloofden naar de kapel van het slot en dat de priester ze als man en vrouw, voor God en de menschen, door de banden van het huwelijk vereenige.
De bazuinen weerklonken, de stoet der krijgslieden zette zich in beweging en, aan den arm van den strengen ridder, vlak voor den graaf en zijn gevolg, stapte jonkvrouw van der Lieve en Moere, bevend en bleeker van wangen, dan den kanten sluier die over haar gezichtje hing.
Traagzaam ging de stoet door den hooggewelfden gang, die met toortsen verlicht was; het portaal der kapel stond wijd open en Fieneken zag op het altaar brandende waskaarsen en, in de kapel, koorknapen en een priester, die op het paar wachtte.
Het meisje keek op naar ridder van der Zwalm en deze liet zijn strengen, kouden blik vallen op haar eenvoudig, zuiver en jeugdig meisjesgelaat.
- Dezen nacht nog voer ik u als barones van der Zwalm naar het slot mijner vaderen, zijt gij bereid om mij als edele, hooggeboren vrouwe te vergezellen? vroeg hij haar met luider stem.
- Neen, klonk het eensklaps uit haar bevenden mond, ik ben geen jonkvrouw, en ik trouw met geen ridder, maar met Fons de Krul, die even als ik op de fabriek werkt.
Ze liet zijn arm los en vluchtte in een zijgang en, eer nog de verbaasde menigte tot bezinning kwam, was ze ver weg, diep in den onderaardschen gang, die uitloopt te Wondelghem, een half uur voorbij de groote moderne fabrieken, met hare smalle schoorsteenpijpen, lange gebouwen en ronkende machines.
Het vluchtende meisje keek niet om, maar wist toch, dat lansknechten met brandende toortsen haar achtervolgden, en ze liep zoo hard, dat de mannen het eindelijk opgaven en den gang verlieten, die doodsch werd en zoo zwart als een graf.
De bodem was erg glibberig, doch Fieneken liep verder, altijd verder. Hier wonen slangen en hagedissen, zei ze rillend en hoorde het gekwaak van de kikvorschen en, bij tusschenpoozen, de knagende tanden van ratten, die, gestoord in den nachtelijken arbeid, evenals de vluchtelinge eenen uitweg zochten naar het stille, in nachtelijken sluimer gedompelde veld.
Moe geloopen, gevoelde Fieneken eensklaps de zachtstreelende nachtkoelte op haar heet voorhoofd en hare gloeiende wangen. Ze was gered; ze bevond zich in het open veld en keek op naar het maantje, dat meewarig, tusschen de stijve schoorsteenpijpen, op haar nederzag.
Ze wist nu weer waar ze was en liep straat in, straat uit, voorbij het Rabot, recht naar haar huizeken, in het waterstraatje.
Moeder zat nog op haar te wachten, maar ze was, met de voeten op een bankje ingedommeld.
Ze sprong op, toen Fieneken binnenkwam en wreef zich den slaap uit de oogen.
- Wat duurt die comedie lang, pruttelde zij. – Ga naar bed, kind, en neem den wekker mee, ik heb hem op vijf uur gesteld, we mogen ons morgen niet overslapen.
Fieneken deed zooals moeder had gezeid en, als hemelsdauw, viel de verfrisschende slaap op de oogleden van het meisje, die, toen de wekker haar ’s anderendaags ontwaken deed, enkel aan haar werk dacht en de ridders en krijgslieden uit het Gravensteen vergeten had.
In den loop der week ontmoette zij tweemaal Fond de Krul, die, spinner was in de fabriek, waar ook Fieneken werkte.
Langzamerhand kwam hij ook bij haar aan huis en in den schoftijd breidde zij geene kousen meer, maar mooie, witte vierkanten, met eene rozet in ’t midden, zoodat, na een paar maanden, al de vierkanten, aan elkander gehaakt, een groote bedsprei zouden vormen.
- Wanneer trouwt ge? vroegen de meisjes aan Fons.
- Nog vóor den Vasten, zei hij en gaf alle weken zijn spaargeld aan Fieneken, die het bij het hare lei in een ouderwetsch koffertje, dat nog van haar grootvader kwam.
Acht dagen vóor den Vasten huurden zij een huizeken in het Tinnenpotstraatje; Fons en een zijner vrienden witten het huisje van den kelder tot den zolder, op de verdieping schuurde Fieneken den planken vloer met kokend zeepsop, dat ze daarna met zuiver water afgoot, en, samen verfden zij de houten trap in het bruin met een groenen looper in het midden.
De vriendinnen van Fieneken brachten haar mooie bruidgeschenken: een paar vazen voor den schoorsteenmantel, een Heiligen Antonius in pleister, die geluk bijbrengt, want, als men iets verliest en hem dinsdags een brandend kaarsje offert, helpt hij om het weer te vinden.
Op Asschewoensdag keerden de jong gehuwden naar de fabriek terug; en op Halfvasten was het pronking in hun huis, want zij noodigden hunne vrienden en bekenden op koffie met eierbrood.
De genoodigden bewonderden om ’t zeerst de schoone bedsprei van Fieneken, het koffieservies op de kast, den spiegel boven de kookkachel en den mooien, groenen looper op de trap.
Na de koffie dronk men een glaasje op de gezondheid der jonggehuwden en allen samen bracht men de jonge meisjes naar huis, maar als, bij de eene of de andere, moeder niet gauw genoeg opendeed, zong men in koor midden in de straat:

- Moeder, doe maar open,
Zult ge mij niet slaan?
G’hebt het in uw jonkheid
Ook alzoo gedaan.

Uit:

Uit: Marie Lievevrouw-Coopman: Sprookjes en vertellingen (s.d.), p. 78-85



Vind dit boek in de bibliotheek Gent