terug naar index
Isengrim monnik

“Een oud verlies wordt door een nieuw gewin vergoed.
‘k Wou broeder zijn, waar men zoo teeder wordt gevoed.
Alleen de wet, die ’t vreten oplegt, doet mij schrikken,
Want ’t eten laat er zich zoo zacht naar binnen slikken,
De tanden gapen slechts, vanzelf komt ’t voedsel dan,
En gaat zoo zachtjes uit als ’t duldzaam binnen kan.
Zoo komt het, dat de maag er leeg blijft gansche dagen.
Maar slechtste dienst van God is die van leege magen.”
“Oom,” sprak de monnik, “laat, wat u bezwaren mag:
Eet men er vloeiend al, men eet den ganschen dag!”
Toen hij dit had gehoord, viel hij hem in de rede:
“Ah! Satan Reinaert! is dat werk’lijk daar de zede?
Krijgt ieder er althans zooveel als twee behoort?
Dat men de tanden spaart schaadt niet, ‘k eet immer voort!”
Als ter terechtwijzing liet hem de broeder weten:
“Gij raaskalt, oom! Zal ik dan immer Satan heeten?
Haast broeder zelf, laat mij ’t woord “broeder” zijn gegund.
Vrees niet een beetje meer te vreten dan gij kunt.
Eenieder eet genoeg, vooral die zachtjes zingen:
Die ieder krijgt zooveel als elders drie ontvingen.
Indien gij zingen woudt, wie die ’t u nadoen kon?
Zoodat uw schoone stem er dubbelen kost nog won.
Opdat uw onderdrukte stem niet ga verloren,
Laat uit een volle keel uw zoeten zang dan hooren!”
Blij, de andere sprak: “o Broeder, zoo ‘k mij zelven ken,
’t Is waar, dat ‘k zoeter nog dan alle zangers ben!
Dat God mij daar ’t gebruik dat ‘k nu bezit verleene!
Een meesterzanger zoals ik is er daar gééne!
Geen broeder vind ik daar, wiens keel zoo verre gaapt,
Of die uit zijnen mond zoo zuivere klanken raapt!”

Gelukkig Reinaert sprak: “ ’k Zie ’t voorwerp van mijn vragen
Vervuld: de heilige regel mocht u ook behagen.
Er blijft dus nog alleen, dat gij mij zeggen zoudt,
Welk ambt gij wenscht dat u daar worde toevertrouwd!”
Toen hij dit had gehoord, boog Isengrim zijn oogen,
En sprak de woorden die hem recht uit ’t hart ontvlogen:
“’k Vraag, broeder, dat mij ’t ned’rigste ambt gegeven wordt.
Gij weet hoe Lucifer in d’afgrond werd gestort.
Tot ‘k om erkende deugd omhoog zal zijn gerezen,
Gedoog ik graag er kok of herder zelfs te wezen.
Zeg in welk klooster nu; en scheer me een kruin op ’t hoofd,
Zoodat men mij niet wegjaagt, maar mijn trouw gelooft”.
Terstond wordt hem de abdij Blandinium aangeraden.
Van oor tot oor gekruind, trekt de oude op langs die paden.

Het ingaan was hem licht; maar droef de wederkeer.
Met groet en wedergroet doen zij elkander eer.
Hij zegt ’t gewoon; gegroet! niet, als de broeders deden,
Het Benedicite, naar broederlijke zeden,
Zijn vraag behaagt; hij wordt aanvaard en krijgt verblijd
Een monnikspij, als één die broederschap belijdt.
(…)
Dus, Isengrim was monnik, en hem werd gevraagd,
Of ’t ambt van een gestorven priester hem behaagt.
Wat werk de priesters zooal doen, wil hij eerst weten:
Of schapen weiden, ofwel zorgen voor het eten.
Zij zeiden, dat een priester typisch schapen weidt:
Zoo vonden zij hem tot dit ambt aanstonds bereid.
Zoo leert hij ’t Dominus vobiscum van de Mis;
En Isengrim verblijd: Comenus, zegt, ovis,
En voegt er “kom” aan toe, met stevig Dietsch accent,
Niet “veni” zooals in de taal der school bekend.
(Hij had ervaren, dat de schapen van de Schelde
Slechts Dietsche klanken konden uitbrengen en spelden.
Hij had ze vaak gevorderd ter vergadering,
En, overtuigd dat hun ’t Latijn maar weinig ging,
Ze werpend in een kerker, waar ze ’t zouden leeren,
Liet hij gestreng, de schuldigen nergens elders keeren.
Nu monnik, en dus vroom, gebood hij hun dus “kom”,
In ’t Dietsch, de taal die zij begrepen daar alom).
Hij zegt ook: àgne! voor Amén, naar ’t Grieksche teeken.
Een deel beweert, dat hij niet beter uit kan spreken,
Maar anderen, dat het opzet is; er wordt gebromd;
“Die woorden duiden aan, waartoe die monnik komt.
Hij wil de kudden binnen scheren, en de vachten,
Daar hij de wol niet kan, hun af te nemen trachten.
Hij heelt bedrog! Een ander kleed verandert niet;

Uit:
Magister Nivardus en J. van Mierlo: Magister Nivardus' Isengrimus (1946), p. 148-150 en p. 152


Vind dit boek in de bibliotheek Gent