terug naar index
La Lys

De Phenixstraat, de hoek van de Zuidkaai – waar de bargie van Brugge haar aanlegplaats had – en, aan den overkant van de Vaart, ’t geen er rondom het oud kerkhof overblijft, dat is al wat er nog herinnert aan de Brugsche Poort uit de jaren 1840-1860.
Daar eindigde de stad, slechts door de brug en de Phenixstraat gescheiden van het open veld.
’t Was een arme wijk, alleen door fabriekmenschen bewoond. Geen winkel wenkte er aanlokkelijk, nergens pronkte een gesloten burgerwoning in rentenierswaardigheid, maar werkmanshuizen, hopeloos eenzelvig, grauw en ruig schaarden zich in reeksen steeg in, steeg uit. In de week en bij dag, zag er alles dood en verlaten uit; de fabrieken hadden er het leven van opgeslorpt. Nauwelijks voelde men, van tijd tot tijd, den grond daveren onder ’t gerij van zware karren die hun vracht katoen of vlas, hotssend en schokkelend, van den dok naar de fabrieken vervoerden.
En armoe, armoe overal, niet het minst op de Leiekaai, al snapte men er – dank zij den arm van de Leie die de spinnerij “La Lys” omspoelde – wat meer lucht dan in de andere muffe straatjes.
Daar woonde Pier Fierlefijn en zijn huisje was zonder twijfel het kleinste uit de buurt.
Een hand omhoog en ge raakte de goot; een trapken af en ge waart in de keuken, de eenige plaats van de woning: vijf stappen diep en drie stappen breed. Op het koerke, een voorschoot groot, jankte de pomp gelijk een hond, telkens men water trok.
Boven de keuken diende de zolder als slaapkamer voor vader, moeder en kind; ze stikten er ’s zomers en bevroren er ’s winters.
Overschaduwd door de “Lys”, een kolossaal gebouw met zes verdiepingen en honderden vensters, met zijn poort nog groter dan de groote kerkdeur van St Baafs, leek het in nietigheid te verkrimpen. Maar wie er woonde was dicht bij zijn werk.

 

Uit:
Grégoire Le Roy: Fierlefijn (1934), p. 11-13


Vind dit boek in de bibliotheek Gent