terug naar index
Opdracht van de auteurs van zedenschetsen

De Gentse auteur geeft zijn oordeel over wat zedenverhalen in de tweede helft van de 19de eeuw wél en niét moeten of mogen zijn.

Hoezeer de menschelyke geest zich geneigd gevoelt de verborgenste gehemen te doorgronden, niettegenstaende hy zyne inbeelding laet zweven op alle zaken die hem omringen; kan zyne weetgierigheid hem slechts, van tyd tot tyd, een boekje van het vloers doen doordringen; waermede de daden der gansche saemleving als omgeven zyn.
Slechts nu en dan, brengen de omstandigheden zaken aen het licht, die onze verwondering treffen; en door de kennis der wezenlykheid, de teleurstelling laten ontwaren, waerin eene valsche inbeelding ons meermaels gewikkeld had.


Door de gesteltenis onzes herts, en de omstandigheden eener eigene ondervinding, konnen wy gemakkelyk gissen, dat de levensloop van elken mensch een treurspel bevat; waer van het eene tafereel akeliger dan het andere, doch altyd by het einde, eene schandige, nederige of roemryke dood voorstelt.

Geen wonder dus, dat men by voorkeur zedeschetsen leest, die ons de huisselyke tafereelen onzes tyds voorstellen; vooral wanneer zy den stempel der waerheid dragen, en geene reeks van die wondervoorvallen bevatten, die men slechts, in zedelooze fransche romans, of tooneelgewrochten, zou mogen aantreffen.
Deze vooral zyn treffend: waer in de schryver slechts daden aenhaelt, die hy in zyne eigene lotgevallen of die zyner jeugdgenooten heeft geput; dan alleen kan de ware kennis der zaken in zyne schriften doorstralen: om dat deze voorvallen hem altyd levendig voor den geest staen; en dat hy, met meerdere juistheid den toestand kan beoordeelen, van deze die met hem de zelfde opvoeding genoten hebben.

Gewis, zal de schryver uit de volksklas voortgesproten, beter dan andere bekend zijn, met de gebruiken en noodwendigheden der mindere standen; gansch hunne levenswys zal hy natuerlyker weten aftemalen, en meer geschikt zyn om hunne deugden te ontwikkelen, en hunne gebreken uitteroeijen, en op deze wijs krachtdadiger medewerken aen de beschaving van hen, wiens wederwaerdigheden hij gedeeld heeft.

By al het goede dat men kan te weeg brengen, ware het voorzeker kleingeestig, by het schryven eens boeks, niet anders te bedoelen, dan aen den lezeren eenige stonden vermaek te verschaffen; ook schynen de vlaemsche schryvers dit byna eenparig te begrypen, want alhoewel van verschillende oogpunten de zaken beschouwende, trachten zy in hunne schriften, de deugd te vereeren en het beheer der driften te schandvlekken. Jammer dat velen onder hen verwaerlozen, het geneesmiddel nevens de kwael te plaetsen; want vruchteloos zal men poogen, door voorbeelden de deugd te doen oefenen; indien men het zaed derzelve niet tracht in de herten te doen ontkiemen; met één woord, indien men den heilzamen invloed van den Godsdienst miskent; zonder wiens hulp de bewonderaer der deugd zelfve zal schipbreuk lyden en zyne onmagt gevoelen, om den zegeprael over zyne herstogten te behalen.

 

 

Uit:

Karel Lybaert: Staes de nachtwaker, of: Zulke meesters, zulke gasten (1861), p. 5-8