terug naar index
So late into the night

In april 1816 vluchtte Lord Byron uit Engeland en keerde nooit meer terug (zie daarover in het Lexicon, onder Byron). Hij was vergezeld van zijn lijfarts, John William Polidori en hij reisde met een (zeer dure maar niet betaalde) luxueuze koets die door ene Baxter gemaakt was naar het model van de koets van Napoleon. Op 1 mei schreef Byron, vanuit Brussel, aan zijn vriend J.C. Hobhouse over zijn niet rimpelloos verlopen bezoek aan Gent. (Na de originele tekst volgt een Nederlandse vertaling door de redactie)

 

To John Cam Hobhouse     Bruxelles, May 1st. 1816

My dear H[obhous]e
You will be surprized that we are not more “en avant” and so am I–but Mr. Baxter’s wheels and springs have nog done their duty–for which I beg that you will abuse him like a pickpocket (that is–He–the said Baxter being the pickpocket) and say that I expect a deduction–having been obliged to come out of the way to this place–which was not in my route, for repairs–which however I hope to have accomplished so as to put us in motion in a day or two.– –We passed through Ghent–Antwerp–and Mechlin–& thence diverged here–having seen all the sights–pictures–docks–basins–& having climbed up steeples &c. & so forth– –the first thing–after the flatness & fertility of the country which struck me–was the beauty of the towns–Bruges first (...)

We lost our way in the dark–or rather twilight–not far from Ghent–by the stupidity of the postilion (one only by the way to 4 horses) which produced an alarm of intended robbery among the uninitiated–whom I could not convince–that four or five well-armed people were not immediately to be plundered and anatomized by a single person fortified with a horsewhip to be sure–but nevertheless a littele encumbered with large jack boots–and a thight jacket that did not fit him–The way was found again without loss of life or lim:– – I thought the learned Flechtcher at least would have known better after our Turkish expeditions–and defiles–and banditti-& guards &c. than to have been so valourously alert whitout at least a better pretext for his superfluous courage. I don’t mean to say that they were frightened but they were vastly suspicious without any cause.–At Ghent we stared at pictures–&climbed up a steeple 450 steps in altitude–from which I had a good view & notion of these “paesi bassi”.”– –Next day we broke down–by a damned wheel (on which Baxter should be broken) pertinaciously refusing it’s stipulated rotation–this becalmed us at Lo-Kristi–2 leagues from Ghent)–& obliged us to return for repairs–At Lo Kristi I came to anchor in the house of a Flemish Blacksmith (who was ill of fever for which Dr. Dori physicked him–I dare say he is dead by now) and saw somewhat of Lo-Kristi–Low Country–low life–which regaled us much–besides it being a Sunday–all the world were in their way to Mass–& I had the pleasure of seeing a number of very ordinary woman in extraordinary garments:–we found the “Contadini” however very goodnatured & obliging though not at all usefull. (...)


Nederlandse vertaling:

[Zo diep in de nacht]


Aan John Cam Hobhouse                    Brussel, 1 mei 1816

Mijn beste H[obhous]e

Je zult verbaasd zijn dat we nog niet verder geraakten en ikzelf ben dat ook, maar de wielen en de veren van de h. Baxter hebben hun plicht niet gedaan waarvoor ik vraag dat je hem wilt berispen als een zakkenroller (dat wil zeggen dat Hij, de genoemde Baxter, de zakkenroller is) en te zeggen dat ik een korting verwacht, vermits ik verplicht ben geweest de weg naar deze plaats – die niet op mijn reisweg lag – in te slaan, voor herstellingen die – zo hoop ik toch – geslaagd zijn, zodat we binnen een dag of twee weer kunnen vertrekken.
We reden door Gent, Antwerpen en Mechelen waarna we naar hier uitweken, alle bezienswaardigheden, schilderijen, dokken, waterbekkens gezien hebben, torens enz. enzovoort beklommen hebben. Het eerste dat mij trof, na het vlakke en vruchtbare land, was de schoonheid van de steden, Brugge in de eerst plaats (...).

Niet ver van Gent verloren we onze weg in het donker – of liever in de avondschemering – door de stommiteit van de koetsier (ten andere maar een voor 4 paarden), voor een vermeende roofoverval, zodat paniek uitbrak bij de onervaren reizigers, die ik er niet van kon overtuigen, dat vier of vijf goed gewapende mensen niet meteen zouden beroofd en gevild worden door een enkele persoon, voorzien van te weten een paardenzweep, ook al werd hij lichtjes gehinderd door grote kaplaarzen en een strakke jas die hem niet paste.
De weg werd teruggevonden zonder verlies van lijf of leden. Ik dacht dat de ervaren rot Fletcher ten minste beter zou geweten hebben na onze Turkse expedities, en bergpassen, en bandieten en reisbegeleiders enz. enz., ,  beter dan zo stoer alert te zijn zonder een beter voorwendsel [te hebben] voor zijn overbodige dapperheid. Ik wil niet zeggen dat ze bang waren maar ze waren ontzettend wantrouwig, zonder enige reden.
In Gent staarden we naar schilderijen en beklommen we een toren 450 treden hoog, vanwaar ik een goed uitzicht en een idee van deze “lage landen” had.
De volgende dag vielen we in panne, met een verdomd wiel (waarop Baxter zou moeten geradbraakt worden) dat halstarrig zijn voorgeschreven rotatie weigerde uit te voeren, dat bracht ons tot stilstand in Lo-Kristi (twee mijlen van Gent), en noodzaakte ons terug te keren voor herstelling. In Lo-Kristi ging ik voor anker in het huis van een Vlaamse smid  (die aan koorts leed waarvoor dr. Dori [Polidori] hem behandelde, ik durf zeggen dat hij nu al wel dood zal zijn] en ik zag een en ander van Lo-Kristi; Laag Land, laag leven, dat ons erg vermaakte; bovendien was het zondag, de hele wereld was op weg naar de mis, en ik had het genoegen, een aantal zeer gewone vrouwen in buitengewone kledij te zien: we vonden de “Contadini” [boerinnen] nochtans goedmoedig en voorkomend, zij het helemaal niet dienstig (...)

Uit:

Byron (Lord): So Late into the Night, 1816-1817, in: Byron’s Letters and Journals (1973-1994), 13 dl., gecit. ed.: dl. 5 (1976), p. 78-79