terug naar index
Reinaert

Er is nauwelijks iets bekend over Willem die Madoc maakte, de auteur van het omstreeks 1260 geschreven dierenverhaal Van den Vos Reynaerde (of Reinaert). Een vroeger werk van hem, waarnaar hij in de proloog verwijst, Madoc, hebben we niet bewaard. Met zekerheid was Willem een Oostvlaming en schreef hij voor een luisterend publiek dat goed vertrouwd was met plaatsnamen en situaties uit het Waasland en omstreken. Verder weten we vrijwel niets met zekerheid, wat geleerde filologen en enthousiaste amateurs er niet van weerhouden heeft een indrukwekkende, schier onoverzichtelijke bibliotheek over deze mysterieuze “Willem, die Madoc maakte” bijeen te schrijven. Volgens sommige vossenjagers (zo noemt men de geleerden en amateurs die zich met de Reinaertmaterie bezighouden) dient men hem in Aardenburg, Hulst of in “Waes, int soete lant” (vers 2257) te zoeken, anderen opteren resoluut voor Gent (Leonard Willems, Wytze Gs Hellinga, Jozef Goossenaerts, Maurits Gysseling). De laatste tijd lijkt de balans in het voordeel van het Waasland door te wegen, maar dat zal wel hoofdzakelijk te maken hebben met de intense, cultureel-toeristische Reinaertdynamiek aldaar. Wat er ook van zij, er bestaat in en rond het meesterlijke vossenverhaal onmiskenbaar “a Ghent connection”.

Willem laat uitschijnen dat de hofdag van de leeuw, koning Nobel, in het Gentse plaatsvindt. In de eerste aanklacht tegen de vos jammert de wolf dat Reinaert, het felle dier, hem zoveel leed heeft berokkend, dat hij het allemaal nooit zou kunnen opschrijven, zelfs al was al het laken dat men in Gent maakt perkament (vv. 88-93). En de samenzwering tegen de koning wordt vlakbij diens machtscentrum beraamd, althans volgens de vos: op een onheilspellende plaats in een duivels donkere nacht komen Bruun, Ysengrijn, Grimbeert, Tibeert en Reinaerts vader samen om Nobels dood te plannen “tusschen Hijfte ende Ghend” (v. 2263). Maar ook andere gegevens wijzen naar Gent. Zo was het klooster van Elmare, waar Ysengrijn monnik meende te worden (v. 1483), een benedictijnerpriorij afhankelijk van de Gentse Sint-Pietersabdij. En Hulsterlo (v. 2475), de plaats nabij de plek waar Reinaert de (verzonnen) schat van Ermenrike had verborgen, was sinds de 12de eeuw een Mariabedevaartplaats, waarnaar Gentenaars op strafbedevaart werden gestuurd. De Oost-Gotische vorst Ermanerik (+ 375) maakt trouwens zélf deel uit van de Gentse connectie: in de legenden rond Sint-Bavo wordt immers gesuggereerd dat de bouwer van het Gentse castrum deze mythische Germaanse koning met een fabelachtige schat zou zijn geweest.

Maar ook andere dan inhoudelijke gegevens en allusies verwijzen naar Gent. De naam van de vos verschijnt voor het eerst in een Latijns dierenepos, de Ysengrimus, ca. 1149 geschreven door een Gentse clericus (die ten onrechte magister Nivardus wordt genoemd). Delen van het briljant retorische verhaal spelen zich af in de Scheldestad. Zo treedt de wolf Ysengrimus op advies van Reinardus binnen in het Sint-Pietersklooster op de Blandijnberg, waar hij met een Gents tussentaaltje de schapen tot hem probeert te lokken. Het Latijnse werk heeft de traditie van het dierenepos in de volkstaal diepgaand beïnvloed: zowel de Franse “branches” (afzonderlijke werkjes) van de Roman de Renart als Van den Vos Reynaerde werden erdoor geïnspireerd. Willem gebruikte op een bijzonder vrije manier iens ontsnapping. Daarnaast heeft de Vlaamse dichter nog van andere “branches” gebruik gemaakt, zodat hij een Frans verzamelhandschrift met vossenverhalen ter beschikking moet hebben gehad. Hoewel de redenering geen uitsluitsel biedt, is het verleidelijk om een dergelijk handschrift in een hoog-gecultiveerd hofmilieu te gaan zoeken, zodat de gedachte aan Gent en de graven van Vlaanderen zich opdringt. In de kring der Dampierres blijkt het Vlaamse dierenepos overigens goed bekend te zijn geweest, zoals blijkt uit de proloog van de Latijnse bewerking ervan omstreeks 1275: de Reynardus Vulpes door Balduinus Iuvenis. Het Vlaamse werk - zo bekent hij - is velen vermoedelijk reeds vanuit de volkstaal bekend, maar nu wil hij het mooi in het Latijn laten weerklinken voor Jan van Vlaanderen uit het geslacht van de Dampierres… In een aantal Dampierre-handschriften van omstreeks 1270-80 verschijnt bovendien een marginaaltje waarin te zien is hoe de vos Cuwaert de haas het credo leert zingen om kapelaan te worden, een passage die als zinspeling op een homoseksuele verhouding enkel in de Middelnederlandse tekst voorkomt. Daaruit blijkt eens te meer hoezeer dichter Willem een meester is in het gebruik van de dubbelzinnigheid: niets is wat het lijkt, voortdurend probeert hij zijn publiek/lezers op het verkeerde been te zetten… Van den Vos Reynaerde is terecht één van de grootste meesterwerken uit de Middelnederlandse letterkunde.

Ook de tekstoverlevering heeft een Gentse dimensie. Het zogenaamde Comburgse handschrift, het jongste der twee volledig bewaarde handschriften van Van den Vos Reynaerde wordt bewaard in het zogenaamde Comburgse verzamelhandschrift, het “vlaggenschip van de Middelnederlandse letterkunde” dat omstreeks 1415 in verschillende deeltjes te Gent werd voltooid. De belangrijkste kopiist, de zogenaamde “hand E”, die behalve het dierenepos ook de Gents geïnspireerde Rijmkroniek van Vlaanderen overschreef, hanteerde ontegenzeggelijk een zuiver Gents dialect. Bovendien werd onlangs zijn hand teruggevonden in een handschrift met Gentse privileges en juridische stukken, waarmee zijn activiteit in het Gentse stedelijke milieu is bewezen. In tegenstelling tot wat vroeger werd gedacht, is het verzamelhandschrift trouwens niet het coherente product van een samenwerkingsverband van verschillende kopiisten met een weloverwogen planning. De zes afzonderlijke handschriftjes, die pas in de 16de eeuw tot één codex werden samengebonden, moeten tot stand zijn gekomen in een omgeving waar professionele kopiisten in elkaars nabijheid werkten: dat is volgens recent onderzoek vermoedelijk het plein voor het schepenhuis en het aangrenzende gedeelte van de Hoogpoort, een van de voornaamste straten van het middeleeuwse Gent. In deze omgeving heerste omstreeks 1400 een intense boekenbedrijvigheid in schrijfhuisjes, met talrijke, bij naam bekende kopiisten die onder meer voor de stedelijke administratie werkten: Jan de Clerc, die bovendien boeken – waaronder epische teksten – opkocht en verhuurde, de latere stadsdichter Everaert Taybaert die literaire voordrachtsessies organiseerde, Geraard van Woelbosch, die een toneelstuk schreef over de strijd tussen de winter en de zomer. Later op de eeuw zouden de professionele schrijvers zich organiseren in een genootschap bekend als “ghesellen van den Ringhe” en de dichters zouden uiteindelijk een stimulerend creatief milieu vinden in de Gentse rederijkersgezelschappen, maar dat is een ander verhaal.

[Jozef Janssens]

Over Reinaert: