terug naar index
't Oktrooi is af

(1860) 

Anoniem Gents liedje over de afschaffing van het octrooi of het zogenaamd “poortgeld” in 1860.
Het octrooirecht was een stelsel van binnenlandse verbruiksbelastingen, opgelegd aan elkeen die goederen (dranken, eetwaren, veevoeder, brandstoffen en zepen, meubels en bouwmaterialen) een stad in- of uitvoerde. De controle op, en de inning van deze tol gebeurde aan de stadspoorten en – waar poorten ontbraken – aan de zogenaamde “octrooihuisjes”. In Gent herinneren het Oktrooiplein (vóór het Dampoortstation) en één van de doorgangen onder de nabije spoorwegbrug, de Oktrooidoorgang, vandaag nog altijd aan dat poortgeld. 

De oorsprong van deze tol ging terug tot in de middeleeuwen en het stelsel bestond nog tot diep in de 19de eeuw. Vooral voor de grote steden was de tol een belangrijke bron van inkomsten. Door handelaars en burgers werd de belasting echter als verfoeilijk, zeer hinderlijk ervaren omwille van de financiële “aderlating” maar ook wegens de wachttijden en de lijfsvisitatie aan de poorten. Bovendien bemoeilijkte de belasting het binnenlandse goederenverkeer. 

Na de Belgische Onafhankelijkheid werd herhaaldelijk aangedrongen op de afschaffing van dit vermaledijde systeem. Omdat de nieuwe natie niet meteen een andere oplossing vond om de gemeentelijke financiën te spijzen bij afschaffing van het poortgeld, overleefde het systeem de onafhankelijkheid nog gedurende drie decennia. In 1860 werd het dan tóch bij wet afgeschaft. In hetzelfde jaar werd het Gemeentekrediet opgericht dat, o.m. ter compensatie voor het wegvallend tolgeld, de lokale overheden financieel zou ondersteunen. 

De opluchting, de vreugde bij de afschaffing van het octrooi was groot. Dat mag ook blijken uit het anonieme gedicht ’t Oktrooi is af dat werd opgenomen in het tijdschrift Gentsch museum, jrg. 1 (1895-1896), p. 529-530. Het blijkt ook uit een gedicht met dezelfde titel, van Napoleon Destanberg (zie Al de liberale liedjes en gedichten van Napoleon Destanberg, 1844-1866 (1989), p. 89-90) én uit het prozastukje Afschaffing van het octrooi of poortgeld dat Marie Lievevrouw-Coopman in 1904 nog opnam in haar Ons vaderland (p. 113-114). De drie teksten zijn opgenomen in de rubriek Fragmenten.  

Voegen we hier terloops nog aan toe dat de onbekende dichter van het eerstgenoemde ’t Oktrooi is af in zijn laatste strofe nog de hoop uitdrukte dat nu ook “de vlaemsche tael” recht zou worden gedaan. 

[Gerard Geenen]

Over het octrooirecht: