terug naar index
Anthierens, johan

(Machelen, 22.08.1937 – Dilbeek, 20.03.2000)

Vlaams satirisch schrijver, televisiepresentator, columnist, journalist en controversiële cultuurcriticus. Hij was vooral bekend om zijn scherpe pen tegen establishment, kerk en koningshuis. Als journalist debuteerde hij in het weekblad Humo(radio), schreef hij voor het literair-artistiek maandblad De Periscoop en later voor het progressieve weekblad Markant (1992-1994). Hij werkte ook voor De Volkskrant, De Morgen en de magazines De Post (later Panorama) en Knack (1973-1982, eerst onder pseudoniem Wounded Knee).
Op de Vlaamse radio presenteerde hij programma’s over het Franse chanson (1962-1966) en Nederlandstalige kleinkunst (Liedjes van leed en vermaak); dat leidde ook tot de bloemlezing Een keurkorf luisterliedjes (1964). Vervolgens bundelde hij kronieken in De flauwgevallen priester op mijn tong (1975), Onder anderen (1978) en Vlerk in vogelvlucht (1981). In 1986 verscheen het ‘smaadschrift’ Het Belgische domdenken. Het brede publiek leerde hem midden jaren 1970 pas kennen als televisiefiguur in de Wies Andersenshow en naast de Nederlandse presentatrice Mies Bouwman in Noord-Zuid (1978).

Anthierens’ bekendste wapenfeit was de oprichting (samen met Herman van Hove) van het satirische weekblad De Zwijger(januari 1982-juni 1984), dat bedoeld was als Vlaamse variant van Le Canard EnchaînéAls publicist was hij eind twintigste eeuw ook bijzonder productief met boeken over zijn literaire helden Willem Elsschot (Willem Elsschot: het ridderspoor, 1992) en Jan van Nijlen (postume dubbel-cd, 2012, met Chris Lomme), en over de fel bewonderde Belgische chansonnier Jacques Brel (“De regenwegen van Jacques Brel”, BRT-KRO, 1980, met Walter Ertvelt) en Jacques Brel: de passie en de pijn (1998). Ook Knack-compagnon en politiek cartoonist GAL (pseudoniem van Gerard Alsteens) werd in De overspannen jaren (1996) treffend door Anthierens geportretteerd. Ook verschenen nog boeken over koning Boudewijn (Brief aan een postzegel, 1990, en Tricolore tranen: Boudewijn en het augustusverdriet, 1993), over de zaak Irma Laplasse (Zonder vlagvertoon, 1995) en over het Vlaams-nationalisme (De IJzertoren: onze trots en onze schande, 1997). In 1990 stelde hij bovendien met Jan Fontijn en Maarten van Buuren de studie Aspecten van de literaire biografie samen. 

Op het eind van zijn leven werd Anthierens nogmaals kort televisiepresentator bij TV1 en vertaalde hij stripverhalen. Zijnlaatste publicatie was een in memoriam voor zijn broer, journalist Jef Anthierens (1925-1999) in De Morgen. Johan Anthierens stierf het jaar daarop zelf aan lymfeklierkanker. Op zijn grafsteen is zijn beruchte lijfspreuk te lezen: “niemands meester, niemands knecht”. Postuum werd in 2010 naar Anthierens’ wens een gedicht van Jan van Nijlen, Bericht aan de reizigers, vereeuwigd in het Antwerpse Centraal Station.

J. Anthierens en Gent

Vooral in de tweedelige publicatie Niemands meester, niemands knecht zijn Gentse verwijzingen te vinden. Onder die titel verzamelden Brigitte Raskin en Johans broer Karel in 2003 een dubbele keuze uit Anthierens’ verspreide journalistieke werk en uit zijn persoonlijker getinte teksten.

In deel 1 Leve mij (2003) werd de column ‘Bekende Vlaming bekent’ opgenomen, over een gênante signeersessie van Anthierens in de Gentse Standaard Boekhandel op 20 december 1998. Een andere bijdrage ‘Piemelkrans’, in 1992 verschenen in Markant, gaat over de barokke Gentse schrijver-schilder Pjeeroo Roobjee [zie aldaar] die naar de taalgrensgemeente Ellezelles verkaste en over diens befaamde ‘herenclub’ Académie Bugeaud, waarvan naast Anthierens zelf ook de schrijvers Hugo Claus en Remco Campert deel uitmaakten.
In de onderafdeling ‘Leve jou’, waarin een selectie uit Anthierens’ brieven uit de jaren 1996-1998 aan zijn drugsverslaafde zoon werden samengebracht, steekt vader Johan zijn Benjamin in resolute taal een hart onder de riem bij het afkicken in de therapeutische centra van De Sleutel in Merelbeke en Oostakker.

In het vervolgdeel Ooggetuige (2005) van Niemands meester… is nog een eerdere, in 1985 in De Volkskrant verschenen beschrijving van het Académie Bugeaud-gezelschap opgenomen, onder de titel ‘Gevulvarginaliseerd’. De leden en hun entourage speelden blijkbaar privé hun eigen versie van Gildas Bourdets toneelstuk Saperleau, dat Roobjee vertaalde in zijn hoogsteigen ‘Sapeurloots’, met o.m. de gebroeders Guido en Hugo Claus, Jan Decleir, Chris Yperman, Herman Verbeeck en Rik Hancké in de hoofdrollen.
In een andere bijdrage reisde Anthierens naar de Oostvlaamse bedevaartsoorden Lourdes-Oostakker (Gent) en Kerselare (Edelare-Oudenaarde). Daarbij werd de ontwikkeling van domein Slotendries en de Maria-basiliek in Oostakker toegelicht, de mirakelmanie na de wonderlijke genezing van Petrus de Rudder becommentarieerd en de naoorlogse commercialisering te kijk gezet. Een ander Ooggetuige-verslag uit 1976, onder de titel ‘Dag, Nederlands van mij’, probeerde een etnische verklaring te geven voor enkele eigenaardigheden van het Gentse dialect. 
Onder het ‘Ereschavot voor Louis Paul Boon’, voor het eerst verschenen in 1981, noteerde Anthierens de appreciaties en kritiek van o.m. beeldhouwer Roel d’Haese en zijn vrouw Chris Yperman voor Boon; maar vooral de woedende reactie van Hugo Claus op die “uitermate ambitieuze” (maar voor zijn makkers verborgen schrijver) Boon, die hij bezocht op de redactie van dagblad Vooruit: “Hij doet of hij uit de lucht valt: wat is dádde? Hij draait en keert het manuscript, legt het opzij. Uit pure gène voor zijn krantengabbers stelde hij zich aan, ik had hem kunnen doodschieten.”

Anthierens werkte in juli 1989 ook mee aan de tweede editie van “De Gentse Geesten”, het Gentse Feestenprogramma van literair organisator Behoud de Begeerte. Hij werd voor zijn journalistieke teksten in Knack bekroond met de Yang-prijs 1975 [zie aldaar] en in 1979 “omwille van zijn onafhankelijke stem” met de eerste Geuzenprijs van de Gentse studentenvereniging ’t Zal wel gaan [zie aldaar].

[Jean-Paul den Haerynck]

Over J. Anthierens: