terug naar index
Block, Bruno

(Gent, 20.02.1828 - Gent, 29.08.1899) 

Gents leraar, onderwijsinspecteur en toneelauteur. Hij schreef naast enkele gelegenheidsteksten ruim twintig toneelstukken, zowel luimige eenakters als sociaalhistorische drama’s in een academische stijl. Ze bevatten moralistische vingerwijzingen over pedagogische denkbeelden(De ouders, 1866), sociale verhoudingen (De fabrieksbestuurder, 1897), zedelijkheid (De jonge lieden, 1878), volkse vooroordelen, geld en mode..., maar ze missen allemaal scenische kwaliteiten.  

Hoewel sommige titels tot de verbeelding spreken (Spring niet verder dan uw stok lang is, 1853), bleven ook zijn blijspelen vrij onbeduidend. Hij schreef nog enkele stukken in samenwerking met Paul van Elen en maakte een toneelbewerking van Hendrik Consciences roman De koopman van Antwerpen (1878).
Beroepshalve was hij was eerst leraar in een Gentse stadsschool, daarna in het middelbaar onderwijs, kantonnaal schoolopziener te Ledeberg, leraar Nederlandse voordrachtkunst aan het Gentse conservatorium en inspecteur van het rijksonderwijs. 

B.  Block en Gent 

Het gezin Block woonde in het Gentse Groot Meirhem maar verhuisde kort na Bruno’s geboorte en zijn vaders dood naar de Wellinckstraat. Vanaf 1854 woonde hij in de Saliestraat, daarna op de Steendam (1860-), in de Ieperstraat (1863-), de “Petite rue de la station” (1874-), de Kasteellaan (1880-), de Brabantdam (1893-) en het Ketelplein (1894-1899).  

Vier toneelstukken zijn verbonden met een Gentse achtergrond: Jan Hyoens (1849), De zoon die zijn vader onthoofdt (1866), De witte kaproenen (1870), en Lodewijk van Nevers (1870). Dit laatste is gebaseerd op het verhaal Louis de Nevers van Jules de Saint-Genois (opgenomen in Les flamands d’autrefois) en wordt tot één van Blocks betere drama’s gerekend. Het eindigt met Van Peenes onsterfelijke lied “De Vlaamsche leeuw”, hier samen door de personages Robrecht van Béthune en Lodewijk van Nevers gezongen. En dat is opmerkelijk, ook ietwat typisch voor de nonchalance waarmee de auteur wel eens omging met historische feiten: blijkbaar op zoek naar een klinkende apotheose, vond Block het “niet ongepast” twee middeleeuwse figuren een Vlaamse hymne te laten zingen die pas werd geschreven in 1847...
In samenwerking met J. Mekerle schreef Block als 21-jarige Jan Hyoens : historisch drama in vier bedrijven en zes tafereelen (1849), dat hij in 1870 herwerkte tot De witte kaproenen. Beide stukken gaan over de strubbelingen tussen de Vlaamse graaf Lodewijk van Male en de witte kaproenen onder leiding van Jan Hyoens omstreeks 1379. De eerste drie bedrijven spelen in Gent, het laatste in Damme.
Het historische drama De zoon die zijn vader onthoofdt gaat terug op een legendarische beslissing van Lodewijk van Male. Om de weerspannigheid van de Gentenaars tegen het grafelijk gezag te breken, wilde hij in 1371 een voorbeeld stellen. Hij veroordeelde twee edellieden (vader en zoon) ter dood; als geste mocht de ene blijven leven als die eigenhandig de onthoofding van de andere uitvoerde. Door een list overleefden beiden. De Fonteinisten speelden de première van dit stuk in de Minardschouwburg op 2 december 1866. Op de Gentse “Hoofdbrug” stelden twee metalen beelden de legende voor tot ze in 1794 door de Fransen werden verwijderd. In het Gentse stadhuis herinnert ook een schilderij aan het gebeuren. Net als De witte kaproenen werd De zoon die zijn vader onthoofdt door Karel Miry op muziek gezet. 

[Jean-Paul den Haerynck]

Over B. Block: