terug naar index
Blommaert, Philip(pe) Marie

(Gent, 27.08.1808 - Gent, 14.08.1871) 

Jurist, historicus, filoloog, uitgever van  middelnederlandse literaire teksten, dichter, voortrekker van de Vlaamse Beweging, liberaal en Vlaamsgezind lid van de provincieraad van Oost-Vlaanderen en gemeenteraadslid van Gent.  

Hij studeerde aan het Gentse Atheneum en nadien aan de Gentse universiteit waar hij in 1929 promoveerde tot doctor in de Rechten. Nochtans oefende hij nooit een jurdische functie uit. Gefortuneerd als hij was (zie daarover Ludo Valcke) kon hij zich voornamelijk wijden aan de Vlaamse zaak en aan de studie van de vaderlandse geschiedenis en van de Nederlandse letteren. 

Hij woonde vanaf zijn geboorte aan de Lievekaai. In 1812 verhuisde hij naar de Kleijne Keysersdreve = Kleyn Gewad = Korte Rijnckstrate). Vanaf  1815 zou hij in Heusden gevestigd zijn en vanaf 1838 opnieuw in Gent, in de Hoogstraat. Van 1842 tot 1866 treffen we hem aan in de Oude Ajuinlei en stond hij als (grond)eigenaar geboekstaafd. Nadien woonde hij in de Burgstraat (nog steeds als grondeigenaar en vanaf de jaren 1860 ook als advokaat). In 1868 woonde hij aan de Hoogpoort en vanaf 1869 opnieuw in de Burgstraat. 

Blommaert was mede-oprichter van en/of medewerker aan verschillende Gentse tijdschriften, o.m. Nederduitsche letteroefeningen (1833-1834), Bydragen der Gazette van Gend voor letteren, kunst en wetenschappen (1836-1939), Belgisch museum (1837-1846), Nederduitsch letterkundig jaarboekje (1843-1875), Kunst- en Letterblad (1840-1845, vanaf 1844 te Antwerpen) en De Eendragt/De Eendracht (1846-1879). Voorts publiceerde hij in tal van andere tijdschriften. 

Hij was mede-oprichter van verschillende verenigingen, o.m. van het Vlaemsch Gezelschap (1846-1856?), de Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen (1839-1909) waarvan hij secretaris was, de Maetschappy van Vlaemsche Letteroefening “De tael is gansch het volk” (1836-1882) en het Willemsfonds (1851- ). Voorts was hij lid van tal van andere Vlaamse en Nederlandse genootschappen en een van de organisatoren van het eerste Nederlands Letterkundig Congres dat in 1849 in Gent plaatshad. 

Blommaert was zeer actief in de Vlaamse Beweging. Hij was een van de weinige edellieden die de taal van het volk sprak en er bovendien voor opkwam. Zo publiceerde hij in 1832 (onder de initialen P.B.) een pamflet Aenmerkingen over de verwaerloozing der Nederduitsche tael en lag hij in 1840 met Fedinand August Snellaert en Jan Frans Willems aan de basis van het eerste Vlaamse Petionnement (een verzoekschrift met een Vlaams eisenprogramma).  

Historicus en literator 

Als historicus en literatuurwetenschapper publiceerde hij o.m. een Geschiedenis der nederduitsche dichtkunst in België (1832). Veel aandacht schonk hij aan zijn geboortestad, o.m. in Beknopte geschiedenis van de kamers van Rhetorica te Gent (1838, verschenen in Belgisch Museum), De ambachtsgilden of neringen te Gent (1840, in idem), Over Toneelgenootschappen te Gent (1946, in idem, in 1847 als overdruk verschenen onder de titel Geschiedenis der rhetorykkamer De Fonteyne te Gent), Levensschets van Lucas d’Heere, kunstschilder te Gent (1853, verschenen in de Annales de la Société royale des beaux-arts). Zijn meest gekende (en nog steeds geraadpleegde) werk was echter De nederduitsche schryvers van Gent (1861).
Als scheppend werk publiceerde hij o.m. het historische spel Iwein van Aelst (1842), over Vlaanderen ten tijde van Karel de Goede (vermoord in 1127) en Willem van Normandië (gesneuveld in 1128), het episch gedicht Liederik de Buck (1834) en Hilda (1853) een lang gedicht dat gebaseerd was op de Germaanse heldensage Gudrun.
Zijn Gedichten werden uitgegeven in 1853. Het hoofdstuk Mengelpoëzy bevat een gedicht over Gent (zonder titel) evenals het merkwaardige Lof der Gentsche dichters (17de eeuw, naar het Latijn van Justius Rijckius), Jan Frans Willems en Artevelde tot zijn volk. 

Tenslotte bezorgde hij moderne tekstuitgaven en navertellingen van middelnederlandse dichtwerken en kronieken zoals Oudvlaemsche gedichten der XIIe, XIIIe en XIVe eeuwen (3 dln., 1838-1851), Het beclach van Jonckheer Jan van Hembyse, dichtstuk der XVIe eeuw (1839) en Nevelingen (1840-1842), een navertelling van het Nibelungenlied die verscheen in Kunst- en Letterblad. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat zijn tekstuitgaven minder zorgvuldig waren dan die van zijn tijdgenoot Jan Frans Willems. 

In 1850 schreef F.A. Snellaert Dichtregelen, voorgelezen by de inwyding van Jonkheer Ph. Blommaerts boekzael. Het jaar na zijn dood werd Blommaerts bibliotheek geveild. 

[Frans Heymans] 

Over P. Blommaert: