terug naar index
Bogaerd, Karel

(Kalken, 21.10.1834 - Laken, 17.01.1906) 

Autodidact, ambtenaar, dichter, toneelschrijver.
Hij was de vader van de (ook in dit lexicon opgenomen) toneel- en novellenschrijver Alfred. Aanvankelijk smidsknecht te Eeklo, werkte Karel zich door zelfstudie op. Vanaf 1864 was hij stationchef (o.m. in Wondelgem) bij de spoorwegmaatschappij “Gent-Eeklo-Brugge” en vanaf 1880 werkte hij bij het ministerie van Openbare Werken (later Spoorwegen) in Brussel.. Hij was dan in Laken gevestigd waar hij ook nog gemeenteraadslid werd en er vanaf 1897 geboekstaafd stond als journalist en vanaf 1900 als mecanicien, werktuigkundige. 

Reeds vanaf zijn 17de jaar schreef hij – daartoe aangemoedigd door de Gentse dichter Karel-August Vervier – poëzie en proza en nam hij in verschillende gemeenten deel aan de toen zeer populaire letterkundige prijzen van allerlei taal- en letterkundige maatschappijen. 

Op literair gebied werkte hij mee aan het Gentse tijdschrift De Eendracht. Net als Lodewijk de Vriese, was hij lid van de Zetternamskiring.
Tot zijn werken behoren de dichtbundels De drie zangers : Willems, Ledeganck, Van Duyse : vaderlandsche trilogie (1861), Bloemen in ’t wilde gegroeid (1861), Stemmen des gevoels (1864), Verstrooide bladeren (1867) en Vooruitgang (1879). Zijn Bloemen in ’t wilde gegroeid staat ook integraal op het internet, zie http://books.google.be.

K. Bogaerd en Gent  

Zijn bundel Verstrooide bladeren bevat het gedicht De Gentenaars voor Filips de Goede (die hij “de beul” noemde, “door ’t volk van Gent  niet langer meer als vorst erkend”), een Lied aan de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde “De Taal is Gansch het Volk” en het toneelstuk in verzen Philips van Artevelde : dramatische tafereelen uit de vaderlandsche geschiedenis, Gent 1380.
Dezelfde bundel bevat eveneens een Welkomstgroet aan de Noordnederlandsche letterkundigen op het negende Letterkundig Congres te Gent (daterend 18 Oogst 1867). In een tweetal strofen daarvan roemt hij Gent als “de oude bakermat der helden! / De stad der Borluuts , Artevelden” – maar wijst hij er de Nederlandse deelnemers ook bitter op dat “Hier [d.i. in Gent en Vlaanderen] vindt ge er, die de voorkeur geven / Aan ’t uitheemsch; laf en ongehoord / Alleen aan ’t vreemde zich verkleven, / Ellendig apenras, dat wreed / Zijn taal en land vergeet.”
In zijn Bloemen in ‘t wilde gegroeid publiceerde hij gedichten over zijn Gentse vrienden, o.m. Karel-August Vervier (aan wie de bundel is opgedragen), Mevrouw Courtmans[-Berchmans], Jan Frans Willems en Karel Lodewijk Ledeganck, Frans de Potter, het Kerkhof van Sint-Amandsberg en het graf van (Prudens) van Duyse.
De Gentse universiteitsbibliotheek bezit van hem een verzameling brieven, gericht aan Virginie Loveling en Julius Vuylsteke. 

[Frans Heymans]

Over K. Bogaerd: