terug naar index
Boucherij, Jan

(Gent, 16.11.1846 - Antwerpen, 16.05.1911) 

Boucherij werd geboren in een middenstandersgezin (zijn vader was kuiper, tonnenmaker) dat aan de Gentse Garenmarkt woonde. Later vinden we hem terug op meerdere Gentse adressen: Zaaimanstraat (1848, inmiddels verdwenen, tegenover het huidige Sint-Lucas-ziekenhuis), Slijpstraat (1850), Groot Meerhem (1851-, inmiddels verdwenen), opnieuw Slijpstraat (1864- ), Capucijnenstraat (1867-), Oudburg (1870- ), Brugsesteenweg (1871- ), Papegaaistraat en vervolgens Achterleie (beide 1872). In 1872 verhuisde hij naar het Brabantse Halle en vanaf 1875 woonde hij in Antwerpen. 

Na het lager onderwijs in een Gentse stadsschool, studeerde hij vanaf 1863 aan de Gentse Rijksnormaalschool waar hij het onderwijzersdiploma behaalde. Beroepshalve was hij onderwijzer aan een kosteloze stadsschool, dan leraar in een betalende school. Na een conflict met de Gentse schepen van onderwijs (hij had een Nederlandstalig tijdschrift gesticht waarin de “Fransdolheid” van het stadsbestuur werd aangeklaagd) verliet hij de stad om leraar te worden in Halle en nadien in Antwerpen. Bovendien was hij journalist, drukker en boekhandelaar. 

Als zeer bedrijvig auteur schreef hij gedichten, novellen, verhalen, toneelwerk, essays, muzikale werken (zangspelen, cantates), studies over opvoeding en onderwijs, historische werken over een aantal (meestal Vlaams-Brabantse) gemeenten, biografische werken waarin hij zich een bevlogen, soms wel eens romantisch dweperige Vlaamse strijder toonde. Onvermoeibaar ijverde hij daarmee voor de culturele ontwikkeling van het volk. 

Veel van wat hij publiceerde was van beperkte omvang en verscheen in de talrijke tijdschriften waaraan hij meewerkte, o.m. in De Vlaamsche kunstbode : maandelijks tijdschrift voor kunsten, letteren en wetenschappen (uitgegeven in Antwerpen; hij was er hij 25 jaar hoofdredacteur van), het Antwerpse Allemansblad (dagblad waarvan hij stichter en hoofdopsteller was) maar ook in de in Gent uitgegeven tijdschriften Het Vlaamsche volk, De Gazette van Gent en het Nederlandsch letterkundig jaarboekje.
Hij was lid van o.m. de Zuidnederlandsche Maatschappij van Taalkunde (vanaf 1870), van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden (vanaf 1901) en van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (vanaf 1903). In 1874 was hij medestichter van de Zetternamskring.

Zijn literair werk is eerder bescheiden, alleszins niet vernieuwend maar wel, zoals hij in een gedicht schreef :

Eenvoudig rein als ’t volk,
Waaruit wij zijn gesproten,
En wars van vreemden tooi
En ijd’len woordenpraal (...)

Geen stroeven verzenbouw,
Bij roekloos taalverwringen,
Waartegen ’t arme volk
Zijn kop te bersten stoot... 

Zijn historische studies waren soms behoorlijk fantasierijk. Het best was hij nog in verhalen over de volksmensen die hij kende uit zijn jonge jaren.  

Tot zijn meer omvangrijke letterkundige werken behoren de dichtbundels Vergeet mij niet! (1870), Gedichten en gezangen (1897) en vooral Uit ’s levens herfst (1906). In proza schreef hij o.m. de roman Nieuwe rijken (1911), het romantisch verhaal Geld! (1872) en novellen als De roos uit de duinen (1873).
Ons beperkend tot zijn werk over Gentse figuren, signaleren we Filips van Artevelde  (1901, dichtverhaal) en De Ruwaard van Vlaanderen (1902, zangspel over Jacob van Artevelde), naast beknopte levensschetsen en/of gelegenheidsbijdragen over Jan Frans Willems, Ferdinand August Snellaert, Karel Lodewijk Ledeganck en Prudens van Duyse.
In 1907 publiceerde hij, als aanhangsel van (of illustratie bij) zijn verhandeling De Gentsche tongval, een genoeglijk verhaaltje, integraal in het Gentse dialect,  Mee den tram, over de eerste tramrit van een stel buitenmensen door de stad.

Vandaag klinkt zijn werk verouderd; men zal hem nog zelden terugvinden in literaire overzichten of biografische woordenboeken.

[Frans Heymans]

Over J. Boucherij: