terug naar index
Bruggen, Geo

(Gent, 07.02.1921 - ; pseudoniem van Georges Verbruggen) 

Dichter, aforist en essayist. Geboren in de Gentse Snoekstraat woonde hij zijn hele leven in dezelfde buurt. In 1945, na zijn eerste huwelijk, verhuisde hij naar de Zalmstraat. In 1946 trok hij naar de Schoolkaai en in 1954 naar de Eendrachtstraat. Na het overlijden van zijn eerste vrouw (1969) huwde hij een tweede maal (1971) en vestigde hij zich aan de Ferdinand Lousbergskaai.
Hij volgde de lagere school en het lager middelbaar in Sint-Joris aan de Steendam, het hoger middelbaar in Sint-Gregorius te Ledeberg. Aan de Gentse universiteit studeerde hij voor burgerlijk conducteur (opzichter van bruggen en wegen, een trapje lager dan ingenieur). Dat werd ook zijn beroep: hij bracht het tot hoofdconducteur van de technische diensten van de haven van Gent. 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij lid van de Faun Groep rond Paul Rogghé (die hem steunde en tot schrijven aanspoorde). Na de oorlog werkte hij mee aan de tijdschriften De Faun (waarvan hij enige tijd redactiesecretaris was), Pan, De Vlaamse gids en Tijd en mens (waarvan hij twee  jaargangen redactielid was). In 1966 werden 10 gedichten van hem opgenomen in Poëtisch Gastmaal III,  een bloemlezing uitgegeven door de Vereniging van Katholieke Oostvlaamse Schrijvers. 

Zijn gedichten zijn meestal traditioneel van vormgeving, taalgebruik en rijmschema. Het zijn vaak bittere, pessimistische zelfklachten die het innerlijk leven van een kwetsbare natuur uitdrukken.  

Met zijn debuutbundel, Het naakte hart (1946) werd hij (samen met Sidy de Keyser, voor haar bundel Sappho) de allereerste laureaat van de in dat jaar gestichte literaire prijs van zijn geboortestad. Voorts publiceerde hij nog Dans van bitterheden : dertig gedichten (1956), Variaties : gedichten en lyrisch proza (1958), de bundel aforismen Als vogels op een dak (1964) en In het kristal der gestalte : gedichten (1965).
Na zijn laatste bundel – die nochtans door meerdere critici als zijn beste werd beschouwd – hield hij het voor bekeken. “Als ik de massa poëzie zie die gepubliceerd wordt, heb ik geen behoefte daar nog iets van mezelf aan toe te voegen”, vond hij. Bovendien zag hij met de Vijftigers (dichters die in de jaren 1950 experimentele poëzie voortbrachten) de poëzie in een richting evolueren die niet de zijne was. 

[Daniël van Ryssel] 

Over G. Bruggen: