terug naar index
Brulez, Raymond

(Blankenberge, 18.10.1895 - Brussel, 17.08.1972)

Vlaams roman- en toneelschrijver, criticus en essayist. Hij studeerde wijsbegeerte en letteren aan de Vrije Universiteit Brussel, was even leraar en daarna eerst literair adviseur bij het Nationaal Radio Instituut te Brussel en later directeur van de Vlaamse Gesproken Uitzendingen van de BRT (1945-1960). Hij schreef een eerder beperkt maar zeer homogeen oeuvre bijeen en stond volgens literatuurwetenschapper Bernard Kemp bekend als de “volmaakte erudiete dilettant” [belezen amateur].

Brulez debuteerde in het tijdschrift ’t Fonteintje en met de ironische roman André Terval (1930). Veel positiever opgemerkt werden zijn filosofische verhalen, zoals Sheherazade, of De literatuur als losprijs (1933) en De verschijning te Kallista (1953), dat in het klassieke Griekenland is gesitueerd.
Maar vooral zijn grote, half-autobiografisch en vierdelig werk Mijn woningen (1950-1954) sprak tot de verbeelding en werd nog herdrukt in 1997. Daarin combineerde hij sensualiteit en ironie met een fonkelende metaforiek en intelligente schriftuur. En naast de verknoping van eigentijdse figuren met een heel arsenaal personages uit de klassieke oudheid en de bijbel, wees literatuurwetenschapper Raymond Vervliet ook op de vermenging van Vlaamse en Franse cultuur, die in de literatuur sinds het fin-de-siècle nog nauwelijks aanwezig was.

Daarnaast bewerkte Brulez klassieke verhalen zoals Candide van zijn leermeester Voltaire, tot het toneelstuk De beste der werelden (1953), en Perraults sprookje De schone slaapster tot een historisch verhaal rond volkerenverzoening (1935, Nestor de Tièreprijs). Hij recenseerde Vlaamse literatuur voor Franse weekbladen en was redacteur van het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Zijn essays werden gebundeld in Diogeentjes (1962). Later volgden nog de autobiografie De toren van Lynkeus en de verhalenbundel Proefneming tot eenzaamheid (beide 1969).
Voor Het huis te Borgen (dl.1 van Mijn woningen), over Brulez’ kinderjaren in Blankenberge, ontving hij de Driejaarlijkse staatsprijs voor verhalend proza.

R. Brulez en Gent

Mijn woningen biedt een boeiende kijk op bijna een halve eeuw Belgische geschiedenis tussen 1900 en 1945 en op de spanningen binnen de burgerij in die periode. In het tweede deel, Het pakt der triumviren (1951), gaat het over drie jongemannen die een plechtige overeenkomst aangaan om “onvoorwaardelijk en zonder enige beperking malkander in het leven bij te staan”. Het pakt… is deels getekend naar historische figuren (o.a .literatuurcriticus Urbain van de Voorde), deels naar de ervaringen van Brulez’ broers Fernand en (flamingant) Lucien, die tijdens Wereldoorlog I lid waren van de Raad van Vlaanderen.
Dat verhaal speelt in 1913-1919, een turbulente periode waarin die vrienden tegenstrijdige idealen dienden: de ene als geallieerde tégen de Duitsers, de andere als activist aan de “von Bissing-universiteit” (= met steun van de Duitsers vernederlandste Universiteit Gent), een derde als neutrale toeschouwer – die ook de verteller is, Brulez zelf. Er wordt een dagelijks beeld geschetst van de Duitse bezetting, het idealisme van studenten en professoren in Gent en de repercussie van hun activisme op familie en vrienden.
Opvallend daarbij is de theatralisering van de gebeurtenissen in een mythisch en artistiek kader en de shockerende esthetisering van de gruwel, bijvoorbeeld het opengereten staal van de kanonnen voorgesteld als ontluikende “madeliefjes”. Ook een luchtaanval van de geallieerden op het Sint-Pietersstation in november 1916 wordt in die stijl beschreven.

[Jean-Paul den Haerynck]

Over R. Brulez: