terug naar index
Buysse, Cyriel

(Nevele, 20.09.1859 - Afsnee, 25.07.1932)

Prozaïst en toneelschrijver. In de literatuurgeschiedenis staat hij bekend als de auteur die het naturalisme in Vlaanderen introduceerde met de novelle De biezenstekker (1890), gevolgd o.m. door de roman Het recht van de sterkste (1893) en het toneelstuk Het gezin Van Paemel (1902). Het grootste deel van zijn omvangrijke oeuvre is echter realistisch, niet naturalistisch. Een andere hardnekkig eenzijdige voorstelling is dat hij een schrijver is van “boerenromans”. In werkelijkheid situeeerde hij zijn romans en verhalen in zeer diverse milieus, maar in hoofdzaak in de gegoede burgerij op het platteland, in “het land van Nevele” of “tussen Leie en Schelde” (zoals de titel van een van zijn verhalenbundels luidt), meer bepaald in de driehoek Gent-Nevele-Deinze. Opmerkelijk is dat Buysse, die sinds zijn huwelijk (in 1896) met de zeer welgestelde weduwe Nelly Tromp-Dyserinck, naar Den Haag ging wonen, al na enkele jaren besloot de lente- en zomermaanden in Vlaanderen door te brengen. Het echtpaar vestigde zich in het Roze Huis in Afsnee, vlak naast de dorpskerk. Aan het drukke sociale leven dat zich na enkele jaren in “la Maison Rose” ontwikkelde, onttrok hij zich door zich te isoleren in een houten palenwoning die hij te midden van het groen op de “Molenberg” in Deurle had laten bouwen.
Buysses gehechtheid aan zijn Vlaamse geboortegrond was ook al gebleken toen hij reizen naar de Verenigde Staten ondernam. De confrontatie met de rijkdom en de vrijheid van de doorsnee Amerikaan maakte hem nóg sterker bewust van de scherpe en onrechtvaardige sociale tegenstellingen in Vlaanderen en verdiepte zijn liefde voor “de Vlaamse buiten” en zijn aandacht voor de zeer diverse types in alle lagen van de Vlaamse bevolking.

Voor zijn werken uit de periode 1915-1917 werd hem in 1921 de driejaarlijkse staatsprijs voor Nederlandse letterkunde toegekend. Hij werd in verschillende steden uitvoerig gehuldigd toen hij zeventig werd (1929), in Gent op 14 december met een tentoonstelling in de Lakenhalle en plechtigheden in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, het Stadhuis en posthotel Flandria Palace op de Kouter. Eind 1930 werd hij verkozen tot lid van de toenmalige Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde te Gent. Op zijn sterfbed werd hij nog in de adelstand verheven.

C. Buysse en Gent

Cyriel Buysse heeft vijf schooljaren in Gent doorgebracht. Hij was leerling van de Stedelijke Hoofdschool in de Onderstraat (1870-1871), van de Rijksmiddelbare Jongensschool in de Roskamstraat (nu Bisdomkaai, 1891-1873) en aan het stedelijk (nu Koninklijk) Atheneum aan de Ottogracht (1873-1875). In die periode woonde hij in hoofdzaak in het Groot Gewad, bij zijn oom César Fredericq, een halfbroer van zijn moeder Pauline Loveling, die de oudere zus van de schrijfsters Rosalie en Virginie Loveling was. Herinneringen aan die tijd en aan het kattenkwaad dat hij samen met zijn neef Simon Fredericq uithaalde, zijn te vinden in verhalen als De grote kooi, De eter en Mijn (opgenomen in Verzameld werk, deel 5). In Mijn vertelt hij hoe hij op weg naar school de vismijn inliep en “ongewild” een bod deed op een mand vis, die dan ook bij zijn oom thuis besteld werd.

Als jonge schrijver maakte Buysse deel uit van de Franstalige Gentse vriendenkring van het tijdschrift Le Réveil, waarin hij in 1895 een drietal “petits contes” liet verschijnen. Tijdens de winter van 1890-1891 leerde hij, schaatsend op de Drongense meersen, Maurice Materlinck kennen, met wie hij voor de rest van zijn leven bevriend zou blijven. Zij, en een aantal schilders, ontmoetten elkaar geregeld in café Albion (Brabantdam nr.29, hoekhuis met de Vlaanderenstraat). Hierover schreef Buysse een sappig opstel in briefvorm, gedateerd “25 septembre 1922” (verschenen in Gand artistique van 1 maart 1923 en opgenomen in deel 7 van het Verzameld werk). In zijn Per auto vertelde Buysse dan weer hoe Maeterlinck soms Gents dialect sprak met zijn vrienden.

Alhoewel tal van zijn werken in Nederland verschenen, gaf hij ook menig boek uit in Gent: voor de Eerste Wereldoorlog bij Ad. Hoste, de Gentse Volksdrukkerij, Plantijn (in Flandria’s novellenbibliotheek) en Ad. Herckenrath; na de oorlog gaf hij de voorkeur aan Van Rysselberghe en Rombaut.

Op initiatief van Edward Anseele werd Het gezin van Paemel voor het eerst door de Gentse Multatulikring opgevoerd op 25 januari 1903, in het feestlokaal van Vooruit (De Choeurs) in de Bagattenstraat. Op 22 maart 1903 werd het ten tonele gebracht in de Minardschouwburg. Maeterlinck was aanwezig. Opnieuw in De Choeurs bracht de Multatulikring op 25 oktober 1903 nog Driekoningenavond in première.

Buysse was een buitenmens, geen stadsmens. Stadsleven was voor hem “negatief leven”. Maar zijn denken over de stad was meestal genuanceerder dan hij aangeeft in Zomerleven. Veel van zijn werk is in Gent gesitueerd. Het meest prominent is de stad aanwezig in de roman Levensleer, die hij samen met zijn tante Virginie Loveling schreef en die in 1907 in Groot Nederland verscheen onder het pseudoniem Louis Bonheyden. De roman werd pas in 1912 onder de ware naam van de schrijvers uitgegeven bij Herckenrath in Gent. De auteurs maakten er gebruik van Belgisch-Franse spreuken of uitspraken – die sinds meer dan dertig jaar werden verzameld door Virginie Loveling – wat een schitterende persiflage opleverde van het verhakkelde Frans van de Gentse bourgeoisie. Het verhaal speelt zich af in een burgerlijk milieu in en rond de stad. Alle straatnamen, plaatsen, pleinen en wijken worden met name genoemd, zodat de tochten van de hoofdfiguur Edmond, naar en samen met zijn “Euzeke” in Gent en omgeving heel precies, topografisch nauwkeurig kunnen worden gevolgd (zie hierover de studie van W. Verkerken). De roman werd voor (volks)toneel bewerkt door Henri van Daele en ging in première in aanwezigheid van de schrijver in de Gentse Koninklijke Nederlandsche Schouwburg op 7 augustus 1922.
 
Gent speelt ook elders een rol in Buysses werk. Het meest nauwkeurig in de minutieus gedetailleerde beschrijving van de weg die Cloet in De biezenstekker aflegt vanuit de Gentse stadsgevangenis via de Drongense steenweg naar Nevele. In vele andere romans is de stad herkenbaar aanwezig. Zo maakt hij in Het recht van de sterkste, in Schoppenboer (1898) en in De nachtelijke aanranding (1912) melding van de traditionele huwelijksreis naar Gent, die destijds zeer gebruikelijk was bij plattelanders. In de stad werd gegeten en gedronken, er werd een rondrit gemaakt met de tram en een bezoek gebracht aan de dierentuin. Buysse was niet alleen zeer goed bekend met de openbare gebouwen en plaatsen, pleinen en markten in Gent, maar ook met de vele restaurants en cafés en de vele kleine steegjes, die hij vaak met name noemt. En natuurlijk is de Kouter, dé ontmoetingsplaats bij uitstek van de Gentenaar, bij hem evenzeer aanwezig als bij Karel van de Woestijnes evocatie van Gent in de dubbelroman De lemen torens (met Herman Teirlinck).

In ’n Leeuw van Vlaanderen (1900), roman over de opkomst van de christen-democratische en de socialistische arbeidersbewegingen in Vlaanderen, herkennen we in Jan Kappuyns duidelijk de figuur van vader Anseele.

Cyriel Buysse werd begraven op de Westerbegraafplaats te Gent (graf nr. 332-R), naast zijn tante Virginie Loveling. Op zijn grafzerk, een citaat uit zijn dagboek Zomerleven (1915): 25  juli – Heden is de graanoogst begonnen. Dit is een dag waarnaar de boeren hunkerend verlangen maar die mij met stille weemoed vervult.

Blijvende aandacht

Ondanks alles heeft Cyriel Buysse lang moeten wachten op brede erkenning. Zijn werk werd door de katholieke kritiek als antiklerikaal gebrandmerkt en heel wat van zijn boeken bleven lange tijd verboden in de Vlaamse katholieke bibliotheken. Algemene en brede waardering is er pas gekomen vanaf de jaren 1960.
Van 1966 tot 1970 bracht de Vlaamse katholieke (!) uitgeverij Reinaert een vierdelig Cyriel Buysse omnibus. Van 1974 tot 1982 verscheen zijn verzameld werk in zeven lijvige delen. In 1985 werd het Cyriel Buysse Genootschap opgericht; het geeft jaarlijks Mededelingen uit. Verschillende van zijn werken worden nog steeds heruitgegeven en opgevoerd. Her en der werden tentoonstellingen aan hem gewijd; in Gent gebeurde dat in 1982, vijftig jaar na zijn overlijden. De stad had hem dan al geëerd met een straatnaam in de buurt van de Sterre; drie straten komen daar op één punt bijeen: de Cyriel Buysse-, de Karel van de Woestijne- en de Maurice Maeterlinckstraat.

[Anne Marie Musschoot]

Over C. Buysse: