terug naar index
Byron (Lord)

(Londen, 22.01.1788 - Mesolongi, Griekenland, 19.04.1824)

Bejubelde Engelse auteur van romantische poëzie en proza. Zijn officiële naam was George Gordon Byron; meestal wordt hij gewoon Lord Byron genoemd. Hij oefende wezenlijke invloed uit op de Engelse literatuur in het algemeen en op de poëzie in het bijzonder, maar ook in de muziek (vooral de opera) en de schilderkunst kreeg zijn werk veel weerklank.
Vanwege zijn aristocratische afstamming was hij lid van het House of Lords (het Hogerhuis). Aanvankelijk werd hij bewonderd als societyfiguur maar later verguisd wegens zijn bijtende kritiek op diezelfde kringen en om zijn losbandige levensstijl.

Zijn eerste belangrijke werk was English Bards en Scotch Reviewers (1809) waarin hij zijn critici maar ook gevestigde Britse dichters als William Wordsworth, Samuel Taylor Coleridge en Robert Southy satirisch de mantel uitveegde.
Tot zijn nog meestgekende werken behoren zijn eerste twee canto’s (delen, boeken van een groot verhalend gedicht) in Childe Harold’s Pilgrimage (1812) en Don Juan (1819-1824), een verhalende satire op de Britse society.

In het voorjaar van 1816 vluchtte hij uit Engeland, vergezeld van twee bedienden en zijn lijfarts John William Polidori. Reden van die vlucht: allerlei schandalen die hem achtervolgden, o.m. zijn incestueuze relatie met zijn halfzuster; andere erotische escapades die leidden tot een scheiding van zijn echtgenote, schuldeisers die hem op de hielen zaten (zo ene  Mr. Baxter, de Engelse maker van de (niet betaalde) luxueuze koets waarmee hij vluchtte; het voertuig  was ontworpen naar het model van Napoleons reiswagen. Ook Byrons eigen ergernis om het puriteinse en conformistische Engeland zal er wel toe hebben bijgedragen dat hij nooit meer naar zijn geboorteland terugkeerde. 

G.L. Byron en Gent

Zijn vlucht moest hem via Zwitserland in Italië, meer bepaald in Venetië,  brengen. De reis door Vlaanderen verliep niet zonder incidenten. Nadat de koetsier zich in de reisroute had vergist, bereikte het gezelschap – in panische angst voor struikrovers – Gent laat in de nacht. Zij logeerden er in Hotel des Pays Bas. ’s Anderendaags, wellicht op 25 april 1816, bezochten Byron en zijn lijfarts o.m. de Sint-Baafskathedraal. Daarover schreef hij een brief van 1 mei 1816 vanuit Brussel aan zijn vriend John Cam Hobhouse, politicus en memoireschrijver. Strikt genomen beperkten zijn notities over de stad zelf zich tot enkele lijnen. Meer dan door de stad, was hij duidelijk onder de indruk van wat hen overkwam, eerst  bij het naderen én nadien bij het verlaten van Gent (zie Fragment). In de buurt van Lochristi, op weg naar Waterloo, gaf een van de wielen van de koets er de brui aan en moesten ze in de streek een smid zoeken die de koets weer rijwaardig maakte.

Het korte verblijf in Gent was ook om een meer literaire reden belangrijk. Byron moet er namelijk hebben gewerkt aan een vervolg op Childe Harold’s Pilgrimage. Althans werd in 1976 in een Londense bankkluis het manuscript gevonden met het derde canto waarop stond “Copied in Ghent, April 20 1816. Begun at Sea.”  
Zijn lijfarts vertelde in zijn dagboek The Diary of Dr. John William Polidori (dat pas in 1911 werd gepubliceerd) alleszins uitvoeriger over dit bezoek en had lof voor de schoonheid van Gent.

[Dirk Leyman]

Over Lord Byron: