terug naar index
Campert, Remco

(Den Haag, 28.7.1929 -  ) 

Nederlands dichter, auteur van onder meer romans, verhalen en columns die met veel ironie en weemoed schrijft over droom en werkelijkheid, kunst en leven, liefde en eenzaamheid, herinneringen aan de jeugd en de oorlog en over de actualiteit.  

Als dichter debuteerde hij met Vogels vliegen toch (1951). Met zijn eerste dichtbundels behoorde hij tot de zogenaamde Vijftigers, een groep Nederlandse en bij uitbreiding Vlaamse revolutionaire dichters die zich verzetten tegen de literaire en maatschappelijke traditie van voor de Tweede Wereldoorlog. In 1976 kreeg hij de P.C. Hooftprijs voor zijn poëzie. Latere bekende bundels waren Scènes in Hotel Morandi (1983), Ode aan mijn jas (1997) en Nieuwe herinneringen (2007).  

Als prozaschrijver had Campert onder meer succes met verhalenbundels zoals Alle dagen feest (1955), Een ellendige nietsnut (1960) en met romans zoals Het leven is verrukkulluk (1961) en Tjeempie!, of Liesje in Luiletterland (1968).  

Ook de dagelijkse CaMu-columns van 1996 tot 2006 op de voorpagina van De Volkskrant, die hij (Ca) afwisselend schreef met de Nederlandse schrijver en ex-voetballer Jan Mulder (Mu), droegen bij tot zijn bekendheid.
In 2006 verscheen zijn roman Het satijnen hart waarvan een latere cd bekroond werd als beste luisterboek van 2006.  

R. Campert en Gent: 

Over Gentse prominenten en culturele evenementen liet hij zich sporadisch uit in zijn krantenstukjes.
Zo in de columnbundel Graag gedaan (1990, ook verschenen in Vele kleintjes uit 1994), waarin Jan Hoet, de voormalige conservator van het Museum voor Hedendaagse Kunst (vanaf 1999 het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst of het S.M.A.K.), satirisch werd opgevoerd als de “Gentse generaal”; Hoets beleid werd “een ernstige bedreiging voor de beeldende kunst in Nederland” genoemd. 

Nadat Campert in 1998 een opvoering van Tom Lanoyes Ten oorlog had gezien (de bewerking van Shakespeares koningsdrama’s) door het toenmalige “Gentse” toneelgezelschap De Blauwe Maandag Compagnie, wijdde hij daaraan een CaMu-column die opgenomen is in Tien jaar Nederland (2005).
Andere opvallende Gentse sporen in Camperts werk hielden verband  met de Nederlandse Vijftigers en Hugo Claus, aanvankelijk de enige Vlaamse dichter van die literaire beweging (vanwege zijn opname in hun eerste spraakmakende bloemlezing Atonaal uit 1951).  

Gent werd in één adem genoemd met andere Europese steden in Oude jazz uit de bundel Dit gebeurde overal (1962), een gedicht vol herinneringen aan de Vijftigers. Een kort bezoek ten huize Claus in Gent (eveneens in 1962), op weg naar een tentoonstelling van schilderijen van Claus in Dendermonde, vond zijn neerslag in Schrijversleven : dagboekaantekeningen (2004).  

In aanwezigheid van de schrijver werd in 2005 het gedicht met de beginregel “Verzet begint niet met grote woorden”, uit de bundel Betere tijden  (1970), opgenomen in de Gentse Poëzieroute. Het is aangebracht op de zijgevel van het vrijzinnig centrum Het Geuzenhuis aan de Kantienberg (waarvan het café  De Geus van Gent toen werd uitgebaat door Motte Claus, schoonzuster van Hugo).      

[Joël Neyt]

Over R. Campert: