terug naar index
Ceunis, Gerard

(Gent, 08.12.1884 - Hitchin, graafschap Hertfordshire, Engeland, 09.09.1964) 

Toneelschrijver, essayist, schilder. Beroepshalve werkte hij een tijdlang in de drukkerij waar zijn vader werkte; later ging hij in de textielhandel. 

In zijn dagboek van 1906, dat bewaard wordt door zijn kleindochter, beschrijft Ceunis zijn droom om kunstenaar te worden. De beeldende kunst leek hem weI wat maar eerst wilde hij proberen, als schrijver naam te maken. Hij vatte het plan op om een tijdschrift uit te geven. Dit vond hij inderdaad de snelste manier om als auteur jezelf of een nieuw literair programma in het literaire veld te lanceren. Zo ontstond in 1908 het overigens verzorgde Iris : tijdschrift voor literatuur, kunst, sociologie en wijsbegeerte dat echter al na enkele afleveringen ter ziele ging bij gebrek aan financiële middelen en abonnees. 

Hij schreef dan twee toneelstukken De gevangene prinses (1909) en Gothiek sprookje (1910). Ook dit werd geen succes: ze werden wel gepubliceerd maar nooit opgevoerd. Men verweet hem gewoon zijn stadsgenoot Maurice Maeterlinck na te volgen.
Zijn essay Het indiviualisme (eveneens 1910) – waarin hij zijn ideeën over een individualistische maatschappij ontwikkelde – toonde nochtans aan dat hij wel degelijk talent tot schrijven had. 

Het achterwege blijven van literair succes, zijn individualistische ingesteldheid en zijn tegendraadsheid die hem meermaals buiten spel zetten of in conflictsituaties deed belanden, het feit dat hij zelfs als vrouwenhater werd bestempeld – dit alles maakte dat hij op de duur geïsoleerd stond, zich vereenzaamd voelde. 

Ceunis besloot dan, een van zijn andere talenten te ontwikkelen: de beeldende kunst, het schilderen en het illustreren van boeken. En daarin had hij wat meer succes, niet zozeer in Vlaanderen, wel in Engeland waar hij zich vanaf 1914 vestigde..

G. Ceunis en Gent: 

Vóór zijn twintigste had hij er al een ganse reeks adressen in Gent opzitten: geboren in de Dekstraat woonde hij achtereenvolgens in de Baliestraat (1886-), de Hertstraat (1887-), de Bagattenstraat (1890), aan de Zwijnaardsesteenweg (1891-) en de Ottergemsesteenweg (1900-). Op dit laatste adres verbleef hij tot 1909, zij het met twee korte onderbrekingen (Lübeck, Duitsland in 1907 en Luik in 1907-1908). Vanaf 1910 woonde hij nog in de Baudelostraat en vanaf 1912 in de Mercatorstraat. In 1914 vestigde hij zich definitief in het Engelse Hitchin. 

Tot zijn dertiende liep hij school in het Gentse Sint-Lievenscollege. In het Van Crombrugghe Genootschap volgde hij cursussen Duits. In 1912 – na zijn literaire mislukkingen – schreef hij zich in aan de Gentse Kunstacademie, waar hij in 1912 afstudeerde. Een jaar later exposeerde hij op het Gentse Salon. 

Opmerkelijk was wel zijn bewondering voor Maurice Maeterlinck evenals zijn vriendschap met Jules de Bruycker en met  Johan Daisne.
Onder meer bij Maeterlinck haalde hij een deel van zijn individualistische maatschappijvisie. Hoe groot zijn bewondering voor zijn stadsgenoot was, bleek uit de reeds vermelde “navolging” maar ook uit de naam die hij aan zijn dochter gaf: Vanna, naar Maeterlincks in 1902 geschreven toneelstuk Monna Vanna.
 

Zijn blijvende vriendschap voor de Gentse beeldende kunstenaar Jules de Bruycker blijkt uit het feit dat talrijke etsen van De Bruycker werden gevonden op een zolder van het landgoed van Ceunis’ kleindochter. 

Met de ouders van Johan Daisne onderhield hij contact, ook na zijn vertrek naar Engeland. Toen hun zoon Johan achttien was, verbleef die een zomer bij Ceunis in Hitchin. Hij werd er hopeloos verliefd op dochter Vanna. Eén van de verhalen in Daisnes Zes domino's voor vrouwen uit 1944, was aan haar gewijd. 

Na Ceunis’ overlijden was Daisne de enige die in Vlaanderen nog over hem schreef (in dagblad Vooruit 1964). Toen Daisne in hetzelfde jaar zijn Als kantwerk aan de kim publiceerde, prijkte op het achterplat Daisnes portret, geschilderd door Gerard Ceunis. 

[Frans Heymans, op basis van de hierna vermelde bijdrage van Christophe Verbruggen]

Over G. Ceunis: