terug naar index
Chaucer, Geoffrey

(Londen, ca. 1343 - London, 25.10.1400) 

Auteur, dichter, hoveling, ambtenaar en diplomaat, beschouwd als de grootste Engelse dichter vóór William Shakespeare en ook wel eens “de vader van de Engelse literatuur” genoemd.
Chaucer had goede betrekkingen met het Engelse Hof, eerst met dat van Edward III en later met dat van diens zoon, de in 1340 in de Gentse Sint-Baafsabdij geboren John of Gaunt (Jan van Gent) die zijn vriend en beschermheer zou worden. Als diplomaat vervulde hij talrijke missies in Frankrijk, Italië en Vlaanderen.
In 1374 werd hem de belangrijke functie toevertrouwd van “Comptroller of Wool Customs and Subsidy” (Controleur bij de douanen, voor de inning van in- en uitvoerbelastingen op wol) in de haven van Londen. 

Van zijn talrijke literaire werken is The Canterbury Tales (waaraan hij rond 1380 begon te schrijven) veruit het meest bekende. Het wordt beschouwd als een der belangrijkste werken uit de wereldliteratuur. Deze omvangrijke verzameling van verhalen vormt een raamvertelling over een pelgrimstocht van Londen naar het graf van Thomas Becket in Canterbury. Om onderweg de tijd te doden zou elk van de 30 pelgrims twee verhalen vertellen tijdens de heenreis en twee tijdens de terugreis. Uiteindelijk voltooide Chaucer “slechts” 24 verhalen. Elk daarvan wordt gebracht vanuit een andere invalshoek (door een barhouder, een kok, een student, een rechter, een soldaat...). Het zijn “boerden”, kluchtige verhalen waarin meestal de gewaagde zeden van de middeleeuwse mens centraal staan. 

In zijn proloog stelt de auteur elk van de pelgrims voor. The Wife of Bath – die een van de meest bekend gebleven “tales” brengt – blijkt een intelligente, vrijgevochten en excentrieke vrouw te zijn (nog gehuwd met haar vijfde echtgenoot, is zij al op zoek naar de zesde) die ook zeer bedreven is in het lakenweven want:  

“... Of clooth-makyng she hadde switch an haunt
She passed hem of Ypres and of Gaunt...” 

of, vrij vertaald, “in het lakenweven was zij zeer bedreven / meer nog dan die [wevers] van Ieper en van Gent”. 

Het hoeft helemaal niet te verwonderen dat Chaucer een vrouw uit Bath loofde om haar bedrevenheid als weefster. Bath was toen immers één der belangrijke Engelse centra van de lakennijverheid. Dat de auteur haar vaardigheid roemt door ze te vergelijken met deze van de wevers uit Ieper en Gent, hoeft evenmin te verwonderen. Het prestige van deze Vlaamse steden als producenten van hoogwaardig luxelaken was inderdaad zeer groot, ook in Engeland waar de lakenweverij op dat ogenblik slabakte. Om aan dat laatste te verhelpen, had Edward III in 1336 een “statute” (verordening) uitgevaardigd waarin o.m. werd bepaald dat de immigratie van buitenlandse lakenwevers zou worden bevorderd. Honderden vaklui uit Vlaanderen vestigden zich daarop in Engeland, ook in Bath, en dat kan wel enige naijver (zie Chaucers verzen) tussen de eigen en de uit den vreemde aangetrokken wevers verklaarbaar maken.   

The Canterbury Tales (waaraan de auteur vermoedelijk het hele decennium 1380 schreef) blijft ook na meer dan zes eeuwen wereldwijd populair. Het werd alom vertaald, in het Nederlands als De vertellingen van de pelgrims naar Kantelberg (1930, vert. en ingeleid door Adriaan Jacob Barnouw) en als De Canterbury-verhalen (1995, vert. door Ernst van Altena). Het werd op muziek gezet voor koor, musical en opera, het werd verfilmd (o.m. door Pier Paolo Pasolini) en het werd bewerkt voor toneel en voor televisie. 

[Frans Heymans] 

Over G. Chaucer: