terug naar index
Chrétien de Troyes

(Troyes, Frankrijk, 1135? - Saint-Jean-d’Acre, Israël, 1191?)

Ondanks zijn vermaardheid is over deze middeleeuwse Franse auteur zelf weinig bekend. Tot zijn werken behoren de roman Erec en Enide (ca. 1170), de Arthur-cyclus met Cligès (ca. 1176), Yvain, ou: Le chevalier au lion evenals Le chevalier de la charette ca. 1177-1181) dat ook Lancelot wordt genoemd. Zijn meesterwerk is echter Le conte du Graal (1181-1190?, oorspronkelijk Li contes del Graal) dat niet voltooid was bij zijn dood. 

Chrétien de Troyes noemde zijn naam enkel voluit in zijn Erec et Enide. Daarnaast werd hij vermeld door Godefroy de Lagny (die zijn Lancelot afwerkte) en in latere Perceval-navolgingen.
Uit zijn werk blijkt zijn kennis van de bijbel, de Romeinse geschiedenis, de Franse literatuur én Ovidius; daarom was Chrétien mogelijk een Franse abt of kanunnik. Later zou hij, als hofdichter van gravin Marie de Champagne (dochter van de Franse koning Louis VII), in contact gekomen zijn met de Franse troubadours; hij zette als eerste hun liederen uit de “langue d’oc” om naar het Oud-Frans en integreerde hun thema’s en motieven in zijn eigen verhalen. Na 1181 vertoefde hij aan het hof van Filips van den Elzas, graaf van Vlaanderen. 

Met zijn roman over de Graal (d.i. de gouden schaal of kelk waarin het bloed van Christus zou zijn opgevangen) hoopte hij, door de mengeling van Keltische en christelijke mythes, “het beste verhaal ooit aan het hof geschreven” te hebben berijmd. Het werd zeker het invloedrijkste Arthurverhaal uit de middeleeuwen. Het is in de loop der eeuwen ontelbare keren nagevolgd en beroemd gemaakt door de Duitse dichter Wolfram von Eschenbach (12de - 13de eeuw), Richard Wagner, Franz Kafka en, in onze dagen, o.m. door Dan Brown. 

Chrétien en Gent 

De proloog van Le conte du Graal  vermeldt waar Chrétien de stof voor zijn virtuoos berijmde ridderverhaal over de omzwervingen van de ridders Perceval en Walewein vandaan haalde. Chrétien was in dienst van Filips van den Elzas (1142-1191) die af en toe in Gent verbleef. Filips vertrouwde Chrétien de kern toe van de graalqueeste (zoektocht naar de Heilige Graal); het inwijdingsritueel  stond waarschijnlijk beschreven in een handschrift dat al bijna twee eeuwen zorgvuldig in de Gentse Sint-Pietersabdij was bewaard. Het was daar omstreeks 958 achtergelaten door de Engelse abt Dunstan van Glastonbury die twee jaar lang als politiek vluchteling in de Gentse abdij verbleef.
In de proloog van zijn graalboek prijst Chrétien zijn opdrachtgever (én in dit geval inspirator) Filips de hemel in en verderop verwijst hij nog twee keer expliciet naar zijn bron. Volgens historici zou de ontwikkeling van de “Welshe kinkel” [kinkel: middelnederlands voor “ruwe kerel, onbeschaafd mens”] tot ridder Perceval ook als opvoedingsmodel gediend hebben voor de minderjarige Franse koning Philippe Auguste die na 1178 aan de hoede van de Vlaamse graaf Filips was toevertrouwd.
Voor deze zoektocht naar geestelijke bevrijding via de Graal en de heilige Lans [= speer waarmee Jezus aan het kruis werd doorboord], introduceerde Chrétien in zijn alleszins elegant geschreven, avontuurlijke Keltische ridderroman ook nieuwe, hoofse rituelen en historische feiten.
Belangrijk voor Gent is de beschrijving van een nieuwe soort vesting, de burcht van steen, met versterkte muren, donjon en ophaalbrug/poortdeur; ze is geïnspireerd door het Gravensteen, dat Chrétien vanaf 1185 zag opbouwen.
Ook voor de beschreven handelssteden in het Percevalverhaal is eerder aan Gent gedacht dan aan Londen, o.a. vanwege de expliciete verwijzing naar het “schepenbestuur” (in Vlaanderen begin 12de eeuw al ingevoerd). Chrétien toont zich een meester van dit soort details, van de dialoog en de spanning. Zijn mix van spiritualiteit, magie en beschrijving van de reële feodale maatschappij leidde tot een inspirerende verzinnebeelding van rijkdom en geluk  die (ook nog na zoveel eeuwen) leesbaar is gebleven, vooral door de persoonlijkheid en het complexe gevoelsleven van zijn helden.
Het staat buiten kijf dat het verhaal van de Graal in Gent is geschreven; de gouden kelk stond er ook symbool voor de wijnschroeders [handelaars met alleenrecht voor wijninvoer] van wie het gildehuis in de Gentse Hoogpoort eeuwen  lang huis “Perceval” werd genoemd.  

[Jean-Paul den Haerynck]

Over Chrétien de Troyes: 
  • O[mer] Jodogne: Chrétien de Troyes, in: Moderne encyclopedie der wereldliteratuur, dl. 2 (1964), p. 131-134
  • René V. Stuip: Nawoord, in: Chrétien de Troyes: Perceval, of: het verhaal van de Graal (1979), p. 143-155
  • Lode Hoste: Uithangborden te Gent, in: Ghendtsche tydinghen, jg. 1988, p. 196-200
  • W[illem] Noomen en J[ozef] A.G. Tans: Franse letterkunde (ed. 1993), p. 32-37
  • R.M.T. Zemel: Perceval, in: Van Aiol tot de Zwaanridder : personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst (1993), p. 245-257
  • Chrétien de Troyes: Oeuvres complètes (1994). Met inleiding en commentaar van Daniel Poirion
  • Joseph J. Duggan: Chrétien and his milieu, in: The romances of Chrétien de Troyes (2001), p. 1-46
  • Chrétien de Troyes: De graal (2006). Vertaling door Ard Poshuma, van Li contes del Graal. Zie de inleiding, ook op het internet, http://www.klassieken.nl/boekboek/show/id=89721