terug naar index
Cogen-Ledeganck, Clara

(Gent, 16.08.1845 - Gent, 13.05.1898)  

Dochter van de (eveneens in dit lexicon opgenomen) auteur Karel Lodewijk Ledeganck, schrijfster van verhalen voor volwassenen en voor de jeugd.
Zij huwde in 1866 met geneesheer Eugène Leon Cogen. Haar enige dochter was Anna De Weert-Cogen, kunstschilderes (eveneens in dit lexicon opgenomen) die een aantal van haar werkjes illustreerde. 
 

Haar schrijvers“loopbaan” begon pas een achttal jaren voor haar overlijden. Zelf publiceerde zij (steeds onder het pseudoniem Johanna Filips) verhalen in tijdschriften als het Nederlandsch museum : tijdschrift voor letteren, wetenschappen en kunst; De Vlaamsche school; Tijdschrift van het Willemsfond; Elseviers geïllustreerd maandschrift en andere. 

Postuum (en wellicht door toedoen van haar dochter Anna) verschenen van haar nog een drietal  werkjes afzonderlijk: de jeugdverhalen Binus; Boontje; Boschmanneken : drie vertellingen, onder de naam Johanna Filips, geïllustreerd door Karel Doudelet (1899); Begijntjes en begijnhoven, onder de naam Clara Cogen-Ledeganck, met teekeningen van Anna de Weert (1902) en het jeugdverhaal Mandus, onder de naam Cl. Cogen-Ledeganck (1902, verschenen in de reeks Flandria’s novellenbibliotheek, nr. 21). 

C. Cogen-Ledeganck en Gent

Over haar woonplaatsen is er enige onduidelijkheid. Vanaf haar geboorte woonde zij in Gent, in de Capucijnstraat. In 1848 treffen we haar in Bij Sint-Baafs (nu Maaseikstraat) en vervolgens aan de Zandberg (1850-) en in de Cathelynestraat (1865-). Na haar huwelijk (1865) verhuisde zij naar Evergem. In 1866 keerde zij terug naar Gent, de (Kleine) Statiestraat. In 1869 (na het overlijden van haar man) verhuisde zij naar Brussel. Het is niet duidelijk wanneer zij zich weer in Gent vestigde  maar bij de volkstelling van 1881 stond zij in de registers van de Bevolkingsdienst geboekstaafd als wonende in de Willem Tellstraat. Daarna trok zij naar de Sint-Pietersnieuwstraat (1888-) en vervolgens naar de Leopoldlaan (1891-).   

Enkele sfeervolle verhalen van haar zijn in Gent gesitueerd.
Het begijntje : aan juffrouw Wilhelmina Poorters, begijntje in het Huis ter Engelen, Groot Hof, te Gent, verschenen in het Nederlandsch museum, jrg. 19 (1893), p. 310-322.

De bundel Begijntjes en begijnhoven van Gent handelt over de Gentse begijnhoven in het algemeen, met afzonderlijke beschrijvingen van Het Klein Begijnhof (vroeger Begijnhof ter Hooye genoemd; Lange Violettenstraat); Het Nieuw Groot Hof (Sint-Amandsberg) en de zgn. Onnoozele-kinderen-dag (dit was de jaarlijkse dag dat de begijntjes een jonge zuster of een nichtje in het convent mochten uitnodigen). In dezelfde bundel is ook het reeds vermelde Het begijntje : aan juffrouw Wilhelmina Poorters...  opgenomen. 

Het titelverhaal (Binus en Goeleke) uit Binus; Boontje; Boschmanneken is een sprookje waarin Binus (in de gedaante van een lillieputtertje) op de rug van een eendje over de kronkelige Leie naar Gent vaart waar hij (heel groot geworden) belandt tussen de hoge torens.

[Frans Heymans]

Over C. Cogen-Ledeganck: