terug naar index
Colpaert

(Gent, ca. 1350 - ca.1400) 

14de-eeuwse dichter waarvan de naam (zonder voornaam) enkel gekend is uit een gedicht dat voorkomt in het Hulthemse handschrift. Dit laatste is een verzameling van Nederlandse handschriften uit de 13de en de 14de eeuw, ca. 1410 geschreven door een kopiist en genoemd naar de Gentenaar Karel van Hulthem (zie in dit lexicon) die de verzameling in 1811 verwierf. 

Het gedicht van 256 versregels is een zgn. “sproke” Van eenen ridder die Gode sine sonden vergaf  omdat hij berouw vertoonde. De dichter vond het onderwerp in een Latijnse tekst die hij op eigen wijze verwerkte. Hij onthulde zijn naam enkel in de aanvangsregel “Node begheret te dichten Colpaert...” en naar het einde van de tekst toe (versregel 249): “... want voer waer seghet Colpaert...”.
De tekst werd in 1859 integraal uitgegeven door Constand Philip Serrure.   

Er is onzekerheid omtrent de identiteit van deze dichter.
Jan Frans Willems noemde hem “een Vlaemsch dichter der 14de eeuw”.
Constant Philip Serrure sprak van “... hoogstwaerschijnlyk een Vlaming van geboorte” en hij citeerde enkele figuren met de naam Colpaert, o.m. twee Gentenaars: “tydens Jan Hyoens eenen Simon Colpaert onder de aenvoerders der gentsche Witte Kaproenen [en] Race Colpaert is aldaer schepen in 1432 en volgende jaeren”.
Constant F. A. Piron had het over “... een Gentenaer en vlaemsch dichter der XIVe eeuw”.
Philip Blommaert hield het op de thesis “Gentenaar”, “... omdat deze naam  [Colpaert] in Vlaanderen, vooral te Gent algemeen verspreid was gedurende de Middeleeuwen” en voorts verwijst hij naar de door Serrure genoemde Gentenaars.
Johannes.G. Frederiks en F.Jozef van den Branden, repertorieerden Colpaert als  “...een Gentsch dichter der 14de eeuw”.
Jozef van Mierlo besprak een devotieverhaal, De ridder met het bariseel, dat hij eveneens aan Colpaert toeschreef. Uit enkele versregels van dit gedicht meent hij te moeten afleiden dat Colpaert een West-Vlaming zou zijn. 
Willem van Eeghem wijdde een uitvoerige studie aan het gedicht Van eenen ridder... en zijn auteur, met een gecommentarieerde samenvatting van de “sproke” en met verwijzing naar verwante verhalen en navolgingen (o.m. Prudens van Duyse met De ridder en de heremijt, 1853). Van Eeghem situeeerde Colpaert als een Brussels dichter wegens de vermelding van Sint Michel, patroon van Brussel en beschermer van de hoofdkerk aldaar. Hij wees er tevens op dat Colpaert nog andere stichtelijke werkjes zou geschreven hebben, die zich mogelijks ook in het Hulthems handschrift bevinden, maar die bij gebrek aan informatie niet aan een bepaalde auteur kunnen worden toegeschreven.

[Frans Heymans]

Over Colpaert: