terug naar index
Coopman, Theophiel

(Gent, 24.11.1852 - Schaarbeek, 4.6.1915) 

Auteur van poëzie, toneel en (vooral) essays, lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde (1886-1915). Hij speelde een actieve rol in de Vlaamse Beweging en hield zich bezig met de Vlaamse literaire geschiedenis.  

Hij liep school aan het Gentse Atheneum. In 1873 verliet hij het ouderlijk huis in de Antwerpse straat (1852-1973) en trok hij naar Brussel, waar hij eerst werkzaam was als bediende en boekhouder en later als ambtenaar op het Ministerie van Spoorwegen, Posterijen en Telegrafen. 

In 1873 debuteerde hij met de cantate De Nacht. Daarop volgden nog enkele andere zelfstandig gepubliceerde bundels o.m. Lenteliederen (1876) en Kinderlust (1897), een bundel kinderpoëzie waarvoor hij de J. de Keynprijs van de Koninklijke Academie van België ontving.
Als dichter schreef hij vooral poëzie voor kinderen en zangerige verzen, waarvan vele werden getoonzet, o.a. Mijn Vlaandren heb ik hartlijk lief  (op muziek gezet door Gentil Antheunis) en Klokke Roeland (op muziek gezet door Edward Blaes; niet te verwarren met het gelijknamige lofdicht van Albrecht Rodenbach). 

In 1878 stichtte hij, samen met Victor de la Montagne, het tijdschrift De Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle (1878-1896). Hierbij verscheen vanaf 1884 als bijlage De Taalstrijd hier en elders (1884-1904), dat na stopzetten van het tijdschrift als afzonderlijke publicatie werd uitgegeven. 

Samen met anderen publiceerde hij tal van werken, zo o.m. met De la Montagne en Victor Alexis de bloemlezing Onze Dichters : eene halve eeuw Vlaamsche poëzie, 1830-1880 (1880), met Lodewijk Scharpé een Geschiedenis der Vlaamsche letterkunde van 1830 tot heden (1910) en met Jan Broeckaert de Bibliographie van den Vlaamschen taalstrijd, 1787-1886 (in 10 delen verschenen van 1904 tot 1914).  

[Freiko Calle]

Over Theophiel Coopman: