terug naar index
Dürer, Albrecht

(Neurenberg, 21.05.1471 - Neurenberg, 06.04.1528)

Duits graveur, schilder en kunsttheoreticus die de grafische kunst tot een ongezien hoogtepunt bracht.
Hij streefde ernaar, zich los te maken van de gotiek en probeerde, in navolging van de Italiaanse renaissance, in de kunst meer ruimte te maken voor creativiteit en emotie. Dat artistieke doel bereikte hij het zuiverste in zijn tekeningen. Naast geometrische composities, natuurgetrouwe dieren- en plantenstudies en renaissancistische (zelf-)portretten werd een sterke bijbels gerichte religiositeit zijn belangrijkste thema. Hij liet een omvangrijk oeuvre na van ruim duizend tekeningen en aquarellen, 350 houtsneden, 100 kopergravures en zo’n 125 schilderijen. Tevens schreef hij handleidingen over schermen, vestingbouw, meetkunde en tekenen (Beschryvinghe van Albrecht Dürer van de menschelijcke proportion begrepen in vier onderscheyden boecken, 1978, oorspr. Duitse editie, 1528)

In 1494 reisde hij naar Italië, om te ontsnappen aan de pest  die in Duitsland woedde.
In 1512 kwam hij in dienst van Maximiliaan I van Duitsland van wie hij een jaarwedde ontving en veel opdrachten kreeg. Na Maximiliaans overlijden in 1519, diende Dürer in 1520 bij de nieuwe keizer, Karel V, een verzoek in tot bevestiging van die jaarwedde. Ter ondersteuning van dat verzoek reisde hij in 1521-1521 door de Lage Landen. Hij tekende, schilderde en verspreidde er zijn kunst. Over die reis schreef hij zijn Tagebuch der Reise in die Niederlande (pas verschenen in 1779). Het boek bevat essentiële informatie over zijn belangrijke ontmoetingen (met o.m. Erasmus, Quinten Matsys en Lucas van Leyden), zijn reacties op Vlaamse kunstwerken, toelichting bij de aan de gang zijnde Reformatie, vermelding van de objecten en boeken die hij in de Nederlanden verzamelde, tot zelfs de bedragen die hij betaalde voor vervoer, kost en onderdak. Naast deze notities hield hij de hele tijd ook nog een schetsboek bij, waarin zijn visuele ervaringen zijn gedocumenteerd.
 
A. Dürer en Gent

In 1521 verbleef hij van 9 tot 16 april in Gent. Daarvan getuigde hij in zijn Tagebuch…
Hij overnachtte er in het Huis der Cruideniers (ook de Rode Hoed genaamd), naast de Sint-Niklaaskerk. Op die huisgevel in Klein Turkije nr. 4 getuigt een gedenkplaat (niet geheel precies) van zijn verblijf. Hij werd er waardig ontvangen door Jacob Gheerolfs, deken der schilders. Hij beklom er de toren van de Sint-Janskerk (de latere Sint-Baafs) en zag het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck dat hij “een wonderbaarlijk en zeer knap vervaardigd schilderij” noemde. Hij haalde ook de Gentse sage aan over de Onthoofdingsbrug en maakte diverse schetsen van de leeuw die eerder samen met vier leeuwinnen door Keizer Karel vanuit Tunis aan ene Dominicus van Houcke waren gestuurd en die in het Prinsenhof gekooid waren.
Globaal beschreeef hij de stad Gent als “een fraaie en wonderlijke stad”.

Nadien zou Dürer in Antwerpen ook nog de befaamde Gentse miniaturist Gerard Horenbout (1465?-1540) ontmoeten. Horenbout was in dienst van Margaretha van Oostenrijk en hij verluchtte een gebedenboek voor Karel V.

[Jean-Paul den Haerynck]

Over A. Dürer: