terug naar index
Daele, Jan Emiel

(Gent, 12.04.1942 - Gent, 14.02.1978) 

Daele was romancier, dichter, dagboekschrijver en ook auteur van enkele werken met journalistieke inslag. In de allereerste plaats was hij echter een tijdschriftenman. Hij leefde een kort, maar intens leven. Een Frühvollendeter. Dat hij nog niet helemaal vergeten is, heeft vooral te maken met zijn dramatische zelfmoord in 1978 en met de inbeslagneming van het tijdschrift daele in 1967, wat aanleiding was voor de grootste schrijversactie die ooit in Vlaanderen is ondernomen (zie daarover het lemma “daele” in de rubriek “Tijdschriften”). 

Hij was betrokken bij de oprichting van verschillende tijdschriften. En als er ruzie was in het redactionele huishouden, trok hij er vanonder en richtte een nieuw blad op. Zijn grote voorbeeld was Bok, tijdschrift waarin Julien Weverbergh zijn kritische activiteiten ontplooide. Tijdschriften als daele, Bok en Mep – en het kringetje daarrond met Julien Weverbergh, Herman J. Claeys en Herwig Leus – kondigden '68 en de protestgeneratie aan. Van genoemde schrijvers was Daele het meest op zichzelf betrokken, het minst maatschappelijk geëngageerd. Dat blijkt vooral uit zijn erotische romans, waarin de personages zich terugtrekken uit de maatschappij en zich overgeven aan het najagen van genot. Voornamelijk de mannelijke personages – nauwelijks vermomde alter ego’s van de auteur – proberen hun lustbeleving tot een paroxysme op te voeren. Die lustbeleving is in de eerste plaats seksueel van aard, maar is absoluut niet beperkt tot het seksuele. Alle zintuigen worden geraffineerd en uitputtend bevredigd. Omwille van hun thematische verwantschap worden Daeles drie erotische romans gewoonlijk als een cyclus beschouwd: Een placenta (1969), De achtervolgers (1974) en De moedergodinnen (1975).  

Daarnaast schreef  hij nog een reeks werken met journalistieke inslag, o.m. Strijd in de wielersport (1970), een boek over doping, en Je onbekende vader (1977). In dit laatste probeert Daele in het reine te komen met zijn overleden vader. Op de titelbladzijde wordt het een “roman” genoemd en er zijn inderdaad passages waarin de verteller zijn eigen verleden memoreert in de typisch associatieve stijl van Daeles romans. De hoofdbrok bestaat echter uit gesprekken met personen die zijn overleden vader hebben gekend. De auteur besteedt ruim aandacht aan het vermeende collaboratieverleden van de vaderfiguur. Veel critici beschouwen dit werk als Daeles beste. Eigenlijk bedoelen ze dat hij eindelijk een salonfähiges boek had geschreven. In 1977 kreeg hij er de prijs van de stad Gent voor proza voor. Dat werd aan de schrijver meegedeeld enkele weken voor hij zelfmoord pleegde. 

J.E. Daele en Gent: 

Daele was een Gentenaar pur sang. Het adres van zijn ouderlijk huis, Wolterslaan te Sint-Amandsberg, gebruikte hij als redactie- en correspondentieadres, toen hij daele en nadien Totems, de opvolger van daele, uitgaf. Een belangrijke gebeurtenis in de jeugd van de schrijver is een ongeval met een bromfiets waaraan hij een dubbele schedelbreuk overhield. Tengevolge daarvan ondervond hij moeilijkheden in de laatste jaren van het middelbaar onderwijs, dat hij begon in een katholiek college, maar na het ongeval voltooide in het atheneum. Daarna volgde hij het regentaat Germaanse talen aan de Rijksmiddelbare Normaalschool in Gent. Nadien studeerde hij nog Kunstgeschiedenis en Pers- en Communicatiewetenschappen aan de Gentse universiteit. De laatste jaren van zijn leven werkte hij aan een doctoraat over het gebruik van teksten in de plastische kunsten. Op 11 augustus 1965 trouwde hij met Anna van Lierde. Het paar woonde in een kleine arbeiderswoning in de Dr. De Reusestraat te Sint-Amandsberg, ook een adres dat in het colofon van daele teruggevonden wordt. Met Anna van Lierde en zijn intussen geboren dochtertje Lisette woonde hij ook enkele jaren in een vervallen hoevetje in De Pinte. Van januari 1972 tot mei 1977 woonde Daele met zijn tweede vrouw, Digne (Diana) van Cappellen, in de Kerkstraat te Drongen. Ze trouwden op 7 september 1973. Het huis in Drongen was een ex-notariswoning, die onteigend was met het oog op de aanleg van een nieuwe weg. In afwachting van de afbraak werd het huis voor een habbekrats aan Daele verhuurd. Het huis werd gesloopt in de zomer van 1977. Die patriciërswoning met een grote verwilderde tuin wordt nauwkeurig beschreven in De achtervolgers. De laatste maanden van zijn leven bracht de schrijver door in een huis gelegen aan de Prinses Clementinalaan te Gent. De straat loopt parallel met de spoorweg en het huis ligt dicht bij het Sint-Pietersstation en het Koninklijk Atheneum van de Voskenslaan, waar Daele les gaf. Omdat zijn vrouw niet meer van hem hield en van plan was hem te verlaten, schoot hij haar op 14 februari 1978 neer en pleegde daarna zelfmoord. Daele liep al een tijdje rond met zelfmoordplannen. De aartsromanticus in hem had de daad opgeschoven tot de vroege morgen van Sint-Valentijnsdag. De moord en zelfmoord zijn het uitvoerigst gerecenseerde werk van de schrijver geworden. Daele ligt begraven op het Campo Santo in Sint-Amandsberg. Zijn graf bevindt zich in Sectie C tussen dat van collega-schrijvers Rosalie Loveling en Roger Serras – bien étonnés de se trouver ensemble 

Gentse werken 

Daeles romans zijn allemaal in Gent en omgeving gesitueerd, maar meestal is de locatie van ondergeschikt belang. In de erotische romans speelt het grootste deel van de handeling(en) zich binnenskamers af.  James Joyce beweerde dat op basis van de zwerftochten van Leopold Bloom, zijn beroemd hoofdpersonage uit Ulysses, een plattegrond van Dublin kon worden uitgetekend. Zo'n personage komt niet voor in Daeles romans. Een plattegrond van Gent kan men er dus niet uit afleiden, wel een plattegrond van de vrouwelijke anatomie. Daele is de topograaf van de lichamelijke liefde. 

Zijn meest Gentse boek is De achtervolgers, waarin de hoofdpersonages Kris en Solange elkaar leren kennen in het voormalige Postkantoor op de Koornmarkt. Later gaan ze geregeld wafels eten in een gelegenheid op dezelfde Koornmarkt. De meest erotische scène is gesitueerd in de Sint-Baafskathedraal. Het is een imaginair tafereel waarin het interieur van de kerk nauwkeurig wordt beschreven en wordt verweven met de erotische fantasie van de hoofdpersoon, die hier wel een heel hoge vlucht neemt.  

Er zijn in het werk van Daele nog wel andere terloopse verwijzingen naar locaties in Gent, maar echt oog voor de stad heeft de schrijver niet. Tijdens de erotische exploraties is het decor doorgaans onbelangrijk. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo speelt in Een placenta een bordeel langs de Kortrijksesteenweg een centrale rol en in De achtervolgers komt een uitvoerige beschrijving voor van het ex-notarishuis in Drongen waar de schrijver een vijftal jaar heeft gewoond en waar hij volgens Weverbergh de gelukkigste jaren van zijn leven heeft doorgebracht.  

Blijvende aandacht? 

In het najaar van 2004 lanceerde De Morgen een boekenactie onder de titel Twintig boeken van liefde en lust. De lezers van de krant konden zich op twintig opeenvolgende woensdagen een erotische bibliotheek bijeenkopen, uiteraard aan een gunstprijsje. In de selectie zaten twee Vlamingen: Hugo Claus en Jef Geeraerts. Ontbrak: Jan Emiel Daele, wiens romans stijf staan van de erotiek. Een gemiste kans om deze schrijver weer eventjes onder de aandacht te brengen van een groot publiek. Jan Emiel Daele stierf een kwarteeuw geleden en is bijna vergeten. Ook in de stad waar hij zijn hele leven heeft gewoond Zijn boeken worden er in de openbare bibliotheken nog nauwelijks ontleend. Tijdens de eerste dagen van november 2004 lag er een tuiltje verse bloemen op zijn graf. Toch niet helemaal vergeten?

[Wim D'haveloose]

Over J.E. Daele: