terug naar index
Dangin, Mark

(Lichtervelde, 01.03.1935 - Leuven, 14.06.1996)

Pseudoniem van Luc(as) van Clooster. Hij studeerde aan het Klein Seminarie te Roeselare, daarna Rechten, Politieke en Sociale Wetenschappen aan de Katholieke Universiteit te Leuven (1954-1960). Van 1973 tot 1980 was hij advocaat aan het Hof van Beroep te Gent en woonde hij aan de Nederkouter. Later werd hij notaris in Menen.
Hij recenseerde poëzie in de krant Vooruit, meer bepaald van 1958 tot 1981 in de rubriek Geestesleven. Vanaf 1972 besprak hij de Nederlandse literatuur, maar evenzeer schreef hij over chansonniers als Jacques Brel, Georges Brassens, Juliette Gréco, Georges Moustaki, over kunstenaars als Karel Appel en schrijvers als Roger Serras [zie aldaar]. Bovendien leverde hij kritische bijdragen in de tijdschriften Diagram, Heibel, Yang en De Vlaamse Gids en was hij redacteur van Impuls (1973-1976).
Dangin debuteerde als dichter in het Gentse tijdschrift Het antenneke [zie aldaar], maar werd vooral geassocieerd met de Antwerpse avantgarde. Zijn bekendste, parodistische dichtbundel Maran atha (1969, letterlijk “De Heer is gekomen”) vormde een kentering tussen zijn postexperimentele beginperiode in de groep van de Vijfenvijftigers (met o.m. Gust Gils, Paul Snoek en Hughes C. Pernath) en zijn romantisch-subjectieve latere lyriek. Zijn existentiële twijfels vermomde hij als hypersensitieve “wereldhervormer op kleine schaal” in een eigen surreële wereld, vol weemoedige desillusie en ironische afstand: De mens nagespeeld (1959), Mais enfin Dangin (1972), Ik en haar zelfportret (1963) en Ik, de grote verliezer (1973).
Meer uitgesproken autobiografisch waren De mec van Caroline (1974) en de cyclus Drie dagen eskapades in Gent in zijn dichtbundel Ik had hen allen hartelijk lief (1981). Hoewel de stedelijke achtergrond in die cycli wel meespeelt, wordt Gent hierin op geen enkele wijze specifiek gekarakteriseerd. Dangin dichtte zichzelf een drang toe om de wereld leefbaarder te maken, geworteld in het mei ’68-idealisme.

[Frans Heymans & Jean-Paul den Haerynck]

Over M. Dangin: