terug naar index
De Cneudt, Richard

(Gent, 24.09.1877 - Gent, 29.01.1959)

Vooral dichter maar ook auteur van een roman, novellen en toneelwerk, flamingant. Hij studeerde voor onderwijzer aan de Rijksnormaalschool in Gent. Dat beroep oefende hij in Ledeberg uit van 1898 tot 1916. Ontgoocheld over de Vlaamse politieke invloed, sloot hij zich tijdens de Eerste Wereldoorlog aan bij het activisme. In 1916 wijdde hij zich aan de studie van het Lager Onderwijs in Brussel. Het jaar nadien was hij betrokken bij de oprichting (door activistische organisaties) van de Raad van Vlaanderen. Wegens landverraad werd hij bij verstek ter dood veroordeeld. In 1918 was hij al uitgeweken, eerst naar Duitsland en vanaf 1919 naar Nederland (waar hij, van 1922 tot 1937, leraar Frans was in Rotterdam). Pas na de amnestie in België, in 1939, keerde hij terug naar Gent. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij getroffen door de repressie.   

Hij werkte mee aan tijdschriften als Groot Nederland, Iris (medeoprichter; tal van Gentse auteurs publiceerden er in), De Vlaamse Post. en de Gazet van Brussel.
Tot zijn werken behoren de poëziebundels Van dichterleven (1898, waarmee hij in Nederland doorbrak), Naar lichtende wegen (1912), De stille bloei (1925), Verzen (1937, het bezorgde hem erkenning in Vlaanderen) en Liederen van bezinning (1952). Voorts schreef hij de autobiografische roman Geluk (1905), de novelle De primus (1908) en toneel, o.m. Een offer : tooneelspel in verzen (1901).
Hij was bekendst als (bescheiden) dichter van vooral natuur- en een stemmingspoëzie. Als flamingant bezong hij “zijn” Vlaanderen maar hij schreef geen strijdpoëzie.

R. de Cneudt en Gent:

Geboren in de Annonciadenstraat zou hij tot 1909 op een twaalftal Gentse adressen wonen. In 1909 verhuisde hij naar de Driesstraat in Ledeberg. Bij zijn overlijden woonde hij aan de Eedverbondkaai. Hij werd begraven op de Westerbegraafplaats (plein 1, rij 20, graf 6).
Hij organiseerde het groots huldebetoon aan Virginie Loveling, dat doorging in Gent, op 28 april 1912.
Zijn bundel Naar lichtende wegen bevat meerdere gedichten over Gent, zo o.m. het gekende Gent en andere als Het begijntje en Zondagnamiddag in de stad  Eén van deze gedichten, Zang aan de Leie (15 strofen) is een ode aan “de Gulden Leie” die hij “het liefste en teerste die ’t schone Vlaanderen baarde” noemde

[Bart Cassiman]

Over R. de Cneudt: