terug naar index
De Coster, Charles

(München, 20.08.1827 - Elsene, 07.05.1879) 

Frans-Belgische schrijver die zich als zesjarige met zijn ouders in Brussel vestigde en er schoolliep in het Sint-Michielscollege. Na het beëindigen van de humaniora werkte hij enkele jaren als beambte bij de bank Société Générale.
In 1850 nam hij ontslag en studeerde hij rechten aan de de Université Libre de Bruxelles.
Het jaar nadien leerde hij Elisa (Spruyt) kennen met wie hij, tegen de wil van hun beider ouders, tot 1858 een relatie zou onderhouden. In die periode schreef hij haar zowat 500 brieven waarvan er in 1894, onder de titel Lettres  à Elisa, 150 werden gepubliceerd. 
Onder het pseudoniem Karel schreef hij van 1856 tot 1862 in Ulenspiegel, tijdschrift van Félicien Rops, vooral politieke artikelen tegen maatschappelijke misstanden en tegen de behoudsgezinde machtsapparatuur van de katholieke kerk.
In 1858 verscheen zijn verhalenbundel Légendes flamandes die in 1917 door Stijn Streuvels in het Nederlands zou worden vertaald. In het eerste verhaal, Les frères de la bonne trogne vond De Coster voor het eerst zijn eigen toon en taal. Een ander verhaal uit dezelfde bundel, Smedje Smee, speelt zich af in Gent 
Zijn onbetwist meesterwerk is La légende d’Ulenspiegel (1867). Deze klassieker uit de wereldliteratuur is het epos van de Vlaamse vrijheidsstrijd tegen de Spaanse bezetter in de 16de eeuw. Het verscheen in talrijke talen, werd bewerkt voor film, TV, toneel, ballet, musical, poppenspel en beeldverhaal. Tevens was het een rijke voedingsbodem voor talrijk jeugdboeken. De Franstalig-Belgische auteur Camille Lemonnier noemde het ooit “De Vlaamse bijbel”.

C. de Coster en Gent 

In het tijdschrift Ulenspiegel publiceerde hij op 5 mei 1861 een artikel  La Grève à Gand.

Lettres à Elisa werd (vermoedelijk rond 1929) door Maurice Roelants in het Nederlands vertaald en uitgegeven (met een voorwoord van Camille Huysmans) als Brieven aan Elisa.  Literair hebben deze liefdesbrieven weinig waarde; ze waren immers niet bestemd voor publicatie.
In brief 47, uit de periode 1852-1853, schreef De Coster zuurzoet over zijn falen in een examen voor het professoraat (het ambt van hoogleraar) aan de Gentse universiteit.
In brief 146, uit 1858 , deed hij het relaas van zijn verblijf, met enkele vrienden, in Gent gedurende een dag, een nacht en een dag. Zij bezochten er kerken, de universiteit, literaire kringen, boekhandels en (nachtelijk) een reeks “karvietjes”, kroegen. 

Smedje [elders Smidje] Smee uit de bundel Légendes flamandes, is het verhaal van een Gentse smid die, nadat hij aan lagerwal is geraakt, uit wanhoop zijn ziel verkoopt aan de duivel. Later komt hij tot inkeer waarna hij met Gods hulp toch in de hemel komt. Men kan dit verhaal lezen als een – hier in Gent gesitueerde – allegorie op de 16de-eeuwse godsdienststrijd in de Nederlanden.

In Ulenspiegel komen herhaaldelijk Gentse personages, beelden en gebeurtenissen voor, zo bijvoorbeeld de opstand van 1540, de Pacificatie van Gent, Klokke Roeland, graaf Egmont, Jan Hembyze, maar ook de stroppendragers, de Gentse vrouwen en de Gentse keuken (de worst die Uilenspiegel wel weet te waarderen). De in Gent geboren Karel V wordt genadeloos over de hekel gehaald, onder meer in de wrange passage over de keizer die zich na zijn dood aanbiedt aan de poorten van de hemel. Onder verwijzing naar de eindeloze rij misdaden en het vele leed dat de Keizer zijn volk aandeed, wordt hem zonder meer de hemelse deur gewezen. 

[Gabrielle Baetens] 

Over Charles de Coster: