terug naar index
De Keyser, Paul

(Gent, 14.10.1891 -Gent, 22.02.1966)

Vlaams filoloog, folklorist, flamingant en geschiedkundige. Hij was enkele jaren atheneumleraar te Schaarbeek en te Gent. Daarna was hij werkzaam aan de Gentse Universiteit, eerst als docent in de esthetica en de kunstfilosofie aan het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde en vanaf 1927 ook aan de Faculteit der Wijsbegeerte en Letteren.
Hij introduceerde de studie van de volkskunde aan de universiteit. Tevens was hij betrokken bij de oprichting van het Gentse Folkloremuseum (het huidige Huis van Alijn). Samen met F. Van Es richtte hij de Bond der Oostvlaamsche Folkloristen op (1926), die het tijdschrift Oostvlaamsche Zanten (1926-2002) uitgaf.
In 1932 werd hij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. In 1954 nam hij samen met Gaston Martens, Filip de Pillecyn en Hugo Tomme het initiatief tot de oprichting van de Vereniging van Oostvlaamse Letterkundigen. In 1962 trad hij toe tot de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde .

Paul De Keyser publiceerde talrijke en erg verscheiden werken op het domein van de volkskunde en op het gebied van de Middelnederlandse taal- en letterkunde, waaronder “weliswaar vulgariserend bedoelde maar wetenschappelijk verantwoorde” uitgaven van Reinaert-teksten en toneelbewerkingen van Floris ende Blancefloer (1940). Zijn werk op het gebied van de volkskunde werd “baanbrekend” genoemd.

P. de Keyser en Gent

De Keyser woonde tot 1900 aan de Brabantdam. Datzelfde jaar verhuisde hij naar de Tweebruggenstraat. Vanaf 1911 woonde hij in de Keizer Karelstraat waar hij verbleef tot hij in 1919 voor een jaar naar Schaarbeek trok. In 1920 keerde hij terug naar Gent, eerst opnieuw naar de Keizer Karelstraat en (na zijn huwelijk) naar de Nieuwbrugkaai. Later woonde hij nog in de Pacificatielaan (vanaf 1925) en in de Egmontstraat (vanaf 1929 tot aan zijn overlijden).

Reeds als vierdejaarsleerling aan het Gentse Atheneum werd hij lid van het Taalminnend Studentengenootschap De Heremanszonen. In die periode (1908-1909) verschenen zijn eerste gedichten in het studentenblad De Goedendag. Hij was actief in de studentenbeweging, werd lid van het Algemeen Nederlandsch Verbond (ondervoorzitter van de studentenafdeling, 1911-1912) en van het Taalminnend Studentengenootschap ‘t Zal Wel Gaan (secretaris, 1911-1912 en ondervoorzitter, 1913-1914). Tevens was hij medewerker van de Studentenalmanak van ’t Zal Wel Gaan.

In 1928 werd De Keyser bestuurslid en later (van 1957 tot 1964) voorzitter van de Gentse rederijkerskamer De Fonteine. In de jaarboeken van de vereniging verschenen verschillende bijdragen van hem, o.a. over het Gentse toneel van 1820 tot 1850 en over de 19de eeuwse Gentse toneelschrijver Hippoliet van Peene.

Specifiek over Gent schreef hij o.a. Gent in de literatuur en de folklore (1935), één van de vroegste overzichtswerken over de Gentse letterkunde. De Keyser begon zijn overzicht in de 13de eeuw met Willem die Madoc maecte en sloot het af in de twintigste eeuw met fragmenten van Alexis Callant en Achilles Mussche.
In Gentse typen uit mijn stadswijk : flitsen uit mijn kinderjaren voor 1900 (1963) schreef hij zijn jeugdherinneringen aan zijn kinderjaren in de Gentse wijk Brabantdam neer, een wijk die “rijk [was] aan woelige straten en stille pleintjes in een kontrasterende afwisseling, een wijk waar het oog en de verbeelding van een kind vrij spel hadden”.

[Freiko Calle]

Over P. de Keyser: