terug naar index
De Laey, Omer Karel

(Hooglede, 13.09.1876 - Hooglede 16.12.1909) 

West-Vlaams schrijver van poëzie, toneel, proza, essays en brieven. Hij studeerde in Leuven en werd er in 1900 doctor in de rechten maar raakte er, onder invloed van zijn hoogleraar Paul Alberdingk Thijm, geboeid door de Renaissance. Als stagiair in Antwerpen leerde hij de grootstad en haar historische rijkdom kennen. Dit leidde tot de bundel Van over ouds (1905), “objectief-beschrijvende” poëzie over het oude Antwerpen uit de zestiende en zeventiende eeuw. In een eerdere bundel, Van te lande (1903), had hij al een pittoresk beeld geschetst van mens, dier en natuur op het platteland. In 1911-1912 bezorgden Emiel Vliebergh en Jules Persyn zijn verzameld werk onder de titel Het werk van Omer K. De Laey (2 dln); in 1941-1942 verscheen daarvan een licht gewijzigde druk (5 dln).  

O.K. de Laey en Gent: 

In twee gedichten uit de bundel Andere bespiegelingen (niet afzonderlijk verschenen maar wel opgenomen in het verzameld werk) bracht hij het Gent van het fin de siècle en het begin van de twintigste eeuw in beeld. De bundel, waarin hij cultureel en literair Vlaanderen een bijwijlen scherp hekelende spiegel voorhield, was een voortzetting en een uitbreiding van zijn laatste gepubliceerde bundel Bespiegelingen (1907).  

In het “Gentse” gedicht (1905), Een raad aan de Academie, schreef hij satirisch over de “ouderen” van de in 1886 opgerichte Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde (vanaf 1892 gevestigd in de Koningstraat).
Het tweede gedicht, Gent getiteld (opgenomen in Andere bespiegelingen), maakte deel uit van een korte en ironische cyclus De drie zustersteden (1909). Hierin ontdeed hij Karel Lodewijk Ledegancks gelijknamige “dichterlijk evangelie van de Vlaamse Beweging” uit 1846 van zijn hoogdravende stijl en zijn overdreven verheerlijking van het verleden. In het gedicht Gent liet hij Ledegancks romantisch-gezwollen gedicht letterlijk en figuurlijk verdunnen, zelfs verdwijnen door de roemrijke historische stad te laten insneeuwen. Vervolgens herrees de stad in een zonnig, fris en realistisch tafereel als op een moderne ansichtkaart in het begin van de twintigste eeuw. Bovendien bleek uit bovengenoemd gedicht zijn voorliefde voor het streven naar “de trouwe waarheid”. Voor hem was dit het kenmerk van de Renaissance, waar hij zoveel van hield en waarvan hij getuigde in zijn Reisbrieven uit Italië en andere verspreide opstellen. De Reisbrieven verschenen in 1903 ook in Dietsche Warande en Belfort.
Als dichter van de moderne stad kondigde de vroeggestorven De Laey de poëzie van Paul van Ostaijen aan. Door zijn soms schalkse, puntige stijl en door het combineren van het verhevene en alledaagse was hij evenzeer een voorloper van Richard Minne.

[Joël Neyt]         

Over O.K. de Laey: