terug naar index
De Meyer(e), Livinus

(Gent, 25.02.1655 - Leuven, 19.03.1730)

Theoloog en dichter. Hij volgde humaniora in Gent, trad in 1673 in bij de jezuïeten in Mechelen, studeerde theologie aan de Leuvense universiteit en werd, na zijn priesterwijding in 1686, professor in de theologie aan dezelfde instelling. Als Latijns dichter was hij ook over de grenzen bekend: zijn poëtisch œuvre werd in 1727 in Brussel in twaalf delen gepubliceerd (Poematum libri duodecim).

Zijn leerdicht De Ira Libri III (1694), een navolging van Seneca's traktaat de Ira zou hij, volgens Prudens van Duyse, in de drukkerij voor de vuist in het Nederlands hebben vertaald: De Gramschap in dry boeken (1725). Oorzaken en gevolgen van de gramschap worden erin behandeld; het derde deel leert hoe men ze moet beheersen. De toon is moraliserend, de verzen hebben de typisch “Catsiaanse dreun”, maar het geheel steekt gunstig af tegen veel 18de-eeuwse rederijkerspoëzie. Naast uit het arsenaal van klassieke citaten en voorbeelden put de auteur ook uit persoonlijke ervaring en eigentijdse inzichten. De woordkeuze is sober, treffend, de beeldspraak ingehouden en vaak origineel. Het werk kende veel succes en werd meermaals herdrukt. J. Schrant gaf het nog uit in 1827. In 1848 kreeg het nog een uitgave in Tienen.

De Meyer(e) is ook bekend om zijn strijdschriften tegen het jansenisme en tegen Zeger van Espen. Een Latijns gedicht op de vermeende Mechelse torenbrand werd door Jan Frans Willems (Mengelingen, 1827-30) en Prudens van Duyse vertaald (Belgisch Museum, dl. 1, 1837).

[Jozef Smeyers]

Over L. de Meyer(e):