terug naar index
De Poortere, Estelle

(Wetteren, 04.10.1902 - Ellezelles, 29.01.1986) 

Fransschrijvende auteur van zes dichtbundels, een roman, twee verhalenbundels, een oratorium, een toneelstuk, een bundel kritieken en twee bundels essays. Voorts werkte zij, heel jong reeds, mee aan tijdschriften als Jeune Hainaut, l’Oeuvre Latine, Paris-Nice, L’Effort Clarteiste en Raza Literara (Roemeens).
Ze was afgevaardigde van Arts, sciences et lettres te Parijs, de vereniging Les Amis de Pétrarque en lid van de Association des écrivains belges. Ze nam deel aan talloze literaire debatten in Frankrijk en behaalde er verschillende bekroningen. Werk van haar werd vertaald in het Italiaans en het Nederlands. 

Van beroep was zij onderwijzeres, later lerares Franse taal en literatuur. Samen met haar ouders vestigde zij zich in 1923 in de Gentse Gebroeders Vandeveldestraat. In 1925 verhuisde zij naar de Onderbergen en enkele maanden later naar de Sint-Pietersnieuwstraat, het jaar daarop naar de Rooigemlaan. Van 1931 tot 1970 woonde zij aan de Kortrijksesteenweg en van 1980 tot 1985 aan de Martelaarslaan. Haar laatste levensjaar bracht ze door in een rusthuis in het Henegouwse Ellezelles.  

Haar klassieke poëzie (o.m. de debuutbundel Les échos uit 1933 en Sous la lampe de jade uit 1951), geschreven in alexandrijnen, is beïnvloed door de romantische dichters Alfred de Musset, José-Marie de Hérédia en Alphonse de Lamartine. Critici noemen haar werk fris en ontroerend, haar verzen van een aangename eenvoud, vloeiend, traag en welluidend, exact en aangrijpend. Vier grote thema’s en hun mystieke uitstraling beheersen haar werk: de liefde, het lijden, de eenzaamheid en het zich verheffen naar de Eeuwigheid. Haar gedichten hebben nauwelijks raakpunten met de dagelijkse werkelijkheid; ze leefde alleen (was niet gehuwd), zonder doel en zonder hoop, zonder kompas en zonder opstandigheid. In tal van gedichten is haar hart zwaar van emotie, angst en tederheid. Ze stak beide handen uit naar een brandende luchtspiegeling... en God heeft gelachen met haar gebed.                       

De hoop, het geloof, de liefde; het leven is een doodskleed.
Hier is alles smart, mysterie en eenzaamheid.

Haar laatste bundel, Trente-six chandelles (1975), is onverwacht en merkwaardig humoristisch, zij het met een ernstige en diepzinnige grond.
Haar toneelstuk L’Orient commence à blanchir is een pleidooi tegen de oorlog.
De roman Kitski (1946) vertelt in alle eenvoud maar ontroerend over het dromerig meisje in een provinciestadje. Ze ontdekt de poëzie, later de jongeman Yves. Als onderwijzeres loopt zij zware ontgoochelingen op. Ze vindt werk bij een uitgever en wint een literaire prijs... maar als ze in Parijs haar grootste wanhoop beleeft, stort haar wereld in elkaar. Het boek bevat autobiografische elementen. Het werd algemeen geprezen en herhaaldelijk bekroond, o.a. met de Prix Alfred de Musset. 

Trois poètes belges (1964) bevat subjectieve kritieken over drie goede vrienden-dichters: de levenskunstenaars André Rodenbach, de op haar stad Gent verliefde Marie-Jeanne Boelens en de dichter van de wanhoop Robert Hannay die haar het meest verwant is. 

Louis Canivet beëindigde zijn studie over haar met: “Estelle de Poortere is als een dwaallicht in een welriekend open veld vol wilde kruiden; zoals de vlinder en de bij; zoals de vogel die de lucht doorklieft. Men weet niet waar hij vandaan komt, waar hij heen vliegt. Maar de lucht is zijn koninkrijk en de vrijheid zijn verdediging.” 

Samenvattend: De Poortere was even christelijk geïnspireerd en schreef even traditionalistisch als andere Vlamingen die zich in het Frans ook aan de poëzie hebben gewaagd; haar gedichten stijgen echter hoog uit boven deze van haar tijdgenoten. 

[Daniël van Ryssel] 

Over E. de Poortere