terug naar index
De Poortere, José

(Sint-Niklaas, 25.06.1935 - Deinze, 15.08.2019 )

Vlaams dichter en prozaïst. Opgegroeid in Sint-Niklaas kreeg hij o.a. les van Anton van Wilderode die wellicht een opmerkelijke stempel heeft gedrukt op zijn leerling. De Poortere studeerde af in de Germaanse filologie aan de KUL en deed theologische studies aan het seminarie in Gent, waar hij in 1965 tot priester werd gewijd. Hij was leraar Nederlands aan het Sint-Gregoriuscollege te Ledeberg (Gent). In 1974 werd hij lid van de Provinciale commissie voor Letterkunde, maar hij voelde zich altijd een wat vreemde eend in het literaire veld. Na zijn Gentse periode kreeg hij een nieuwe standplaats te Deinze.

Hij debuteerde met gedichten over de joodse auteur Franz Kafka en de existentiële situatie van de mens in een wereld vol gruwel. Recenter wijdde hij ook poëzie aan zijn demente moeder, het verdwijnen van het polderdorp Doel en asielzoekers. Na zijn bekroonde debuutroman De bruine engel (1975) hernam hij dezelfde problematiek van de jodenvervolging in België in Ik dood niet meer (1977). Hij schreef ook essays over de Nederlandse dichter Martinus Nijhoff en de Gentse professor Duitse letterkunde Herman Uyttersprot.

J. de Poortere en Gent

Hij was jaren lang medewerker aan Poëziekrant. In zijn vaste poëziekroniek liet hij honderden nieuw verschenen dichtbundels de revue passeren. Daarin schreef hij zelfs over zijn betrokkenheid bij Gent en over het daverende verkeersviaduct ernaar toe, vlak bij zijn collegekamer in Ledeberg, aan de Gent-centrumafrit: “Zoals je weet woon ik vlakbij het Zuidpark te Gent. Het is twee uur in de nacht, ik tracht te spreken, hoewel elke dag en elke nacht de E3 aan mijn raam staat te lallen en als een gek met een betonnen arm dreunend naar het Gentse Zuid slaat. Het verandert me in een zwerfgat dat niet meer kan wonen.”
Ook in de dichtbundel Een dakhaas (1976) schreef hij over het Zuidpark en het Casinopark [bedoeld is het nieuwe casinogebouw in het Citadelpark, red.]. Bij zijn vertrek uit de regio Gent naar Deinze schreef hij een “Afscheid van Gent” (in Een hoogwerker, 1996).
Ter gelegenheid van de vernieuwde beiaard in het Gentse belfort schiep hij in 1985 een gedicht “Belfort van Gent” (opgenomen in De Gentenaars en hun belfort). Het werd opgedragen aan vaste beiaardier Jos d’Hollander.

Andere Gentse onderwerpen in zijn poëzie zijn de oude jezuïetenabdij aan de Leie in Drongen (in Verzamelde gedichten 2, 2005), de Gentse Sint-Michielskring en de jonggestorven Gentse dichter-schilder Roger Serras (in De navel van de wereld, 1999) of de Gentse schilder Hubert de Volder (in de dichtbundel Een drieling, 2001)

In zijn roman Ben je dood, vader (1977) schreef De Poortere over de kloof tussen arm en rijk. Via brieven van zijn vader uit Zuid-Amerika entte hij de beschreven toestanden daar op een Gentse problematiek. Zo bracht hij mensen en buurten aan het woord, o.a. uit de sociale wijk aan de Watersportbaan.

De Poortere werd lid van de in 1963 aan de Gentse Normaalschool ontstane Yang-groep die het gelijknamige literaire tijdschrift uitgaf. Hij werkte ook actief mee aan het Gentse tijdschrift Koebel (zie voor beide tijdschriften in het lexicon). Door het dagblad De Gentenaar werd hij aangezocht om artikels te schrijven vanuit het perspectief van een priester-schrijver/dichter.

Ook andere Gentse ervaringen bleven hem nadrukkelijk bij, zonder dat er in zijn literair werk de hand op gelegd kan worden, zoals een aanval door een drugsverslaafde aan het Sint-Pietersstation, of een bezoek aan het rechtskundig laboratorium, waar net de lijkschouwing van een verongelukte persoon plaatsvond.

[Albert de Graeve]

Over J. de Poortere: