terug naar index
De Smet, Prosper

(Gent, 02.06.1919 - Gent, 13.09.2005 ) 

Letterzetter, dagbladschrijver, auteur van poëzie, romans, novellen, toneelwerk, cursiefjes en literaire recensies. Hij schreef ook onder de pseudoniemen PDS, Polke Pluim, P. Pluym en P. Pluim.

Na de Lagere Hoofdschool aan de Van Monckhovenstraat, volgde De Smet de beroepsschool aan de Martelaarslaan te Gent. Tot de leeftijd van 17 jaar volgde hij daar een opleiding “letterzetter”. Hij ging naar de avondschool om zich te bekwamen in het Frans, Engels en Duits. 

In het ouderlijk gezin werd, met uitzondering van de krant Vooruit, niet gelezen. Prosper had vrij vroeg belangstelling voor de dagelijkse rubriek Boekuil (van Raymond Herreman) en voor de wekelijkse bladzijde Geestesleven. Rond zijn veertiende jaar ontdekte hij het werk van Felix Timmermans, James Oliver Curwood en vooral Multatuli.
Na het verlaten van de school, in 1936, werkte hij in de drukkerij Heuvelmans aan de Lindelei. Kort daarop, 18 jaar oud, werd hij als soldaat gelegerd te Brussel. Na 17 maanden dienst werd hij gemobiliseerd te velde.  

Vanaf 1945 werkte hij als drukker-letterzetter, eerst bij de Gentse firma Collier in de Jutestraat en vanaf 1948 bij het dagblad Vooruit, in de Sint-Pietersnieuwstraat. Na een paar jaar verzorgde hij ook de lay-out van de krant. Na het stopzetten van Vooruit (1978) was hij nog enkele jaren verbonden aan de krant De Morgen. In 1980 ging hij met pensioen.

Van 1952 tot 1965 schreef hij – nog steeds letterzetter en lay out-man in de drukkerij – onder pseudoniem PDS boekbesprekingen voor de rubriek Geestesleven van Vooruit. Van 1953 tot 1975 leverde hij (nu onder pseudoniem Polke Pluim) humoristische bijdragen voor de sportbladzijden. In 1961 voegde hij daaraan nog een dagelijks cursiefje toe (ondertekend met P. Pluim). Dertig jaar lang zou hij dit volhouden, ook nadat Vooruit opging in De Morgen. In laatstgenoemde krant vertraagde het ritme iets: vanaf 1991 verschenen er wekelijks nog drie cursiefjes, dan twee en ten slotte nog één. In september 2001 stopte hij definitief met zijn bijdragen. De Smet schreef dus bijna 50 jaar voor de krant. In 1988 werd een bundel cursiefjes uitgegeven onder de titel In de Krabbel.
Zijn meestal optimistische stukjes hebben soms een vleugje weemoed. Ze gaan vooral over het dagelijkse leven van de gewone man. Ze zijn vaak een milde maar tezelfdertijd rake commentaar op de samenleving.  

Tussen 1963 en 1965 publiceerde De Smet, onder zijn eigen naam, een tiental novellen in Elseviers weekblad. Novellen werden ook opgenomen o.m.in het Nieuw Vlaams tijdschrift, in Dietsche Warande & Belfort en in De Vlaamse gids. Tussen 1955 en 1990 werden ook een achttal romans, een toneelstuk, een verhalenbundel en enkele dichtbundels gepubliceerd. In 2000 gaf hij, in eigen beheer, nog een dichtbundel uit: Gekke gedachten, stille gepeinzen. 

In 1957 werd de eerste roman van De Smet, De ontploffing, uitgegeven. Hij werd ervoor onderscheiden met de publieksprijs, het zgn. Referendum van Vlaamse letterkundigen. De Groene Amsterdammer riep dit werk uit tot boek van de maand. Een jaar later verscheen het verhalend gedicht Aan de voet van ‘t Gravensteen; nog in hetzelfde jaar kende de stad Gent er hem haar Letterkundige prijs voor toe. Zijn toneelstuk De ondernemingsraad werd in 1968 onderscheiden met de Visser Neerlandiaprijs; het werd nog in 1968 opgevoerd door de Gentse Multatulikring. In 1969 kreeg hij een tweede maal de Letterkundige prijs van zijn geboortestad, dit keer voor zijn verhalenbundel Prinses en coverboy. Het geweer zonder kogels (1985) is een roman over zijn soldatentijd tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Met zijn romans en zijn novellen bevestigt De Smet dat hij een rasecht verteller is. Zijn werk getuigt van rechtvaardigheidsgevoel en van een sterke sociale betrokkenheid. Scherpzinnigheid en humor, naast wijsheid en mededogen, laten hem toe de kleinmenselijke kantjes liefdevol te relativeren.

P. de Smet en Gent

Hij werd geboren in het ouderlijk huis te Gent, in de Roggestraat. Zijn vader, August, was dokwerker, zijn moeder, Cordula D’haese, naaister. Vader De Smet overleed in 1928. Vanaf dat jaar, 9 jaar oud, tot oktober 1932, verbleef Prosper in het Stedelijk Weeshuis voor Jongens (“Kuldershuis” genoemd) op de Martelaarslaan te Gent. Toen zijn moeder hertrouwde kon hij, vanaf november 1932, opnieuw bij haar en zijn stiefvader wonen, in de Roggestraat. Het gezin verhuisde in januari 1940 naar de Hoppestraat (nu Poperingestraat). In april 1946, na zijn huwelijk, verhuisde hij naar de Rooigemlaan. In 1951 trok het gezin naar de Grensstraat en juli 1960 vestigden zij zich in de Bosuilstraat te Wondelgem, waar hij nog steeds woont.  

Gentse werken

In de meeste van zijn werken is Gent merkbaar aanwezig. 

Aan de voet van ’t Gravensteen (1958) is een verhalend gedicht, gesitueerd in het Gents stadscentrum. De titel verwijst naar Aan de voet van het Belfort van Achilles Mussche.
De ontploffing (roman, 1958) speelt zich af in de Brugse Poort, in de omgeving van de Boomstraat.
Een zondag in augustus (roman, 1964) verhaalt over een Gentse krant en over de uitgangsbuurt aan het Zuid, nabij het W. Wilsonplein.
In het partijlokaal (roman 1971), gaat over de ontwikkeling van het socialisme in de jaren 1900; het verhaal speelt zich af in de straatjes rond de Briel, de Tichelrei, de Korte Schipgracht (thans verdwenen, ingenomen door de appartementen voor de Sint-Lucaskliniek, op het W. Churchillplein) en de Lange Schipgracht (of Lange Scheepsgracht).
Oproer in het weeshuis (roman, 1985) verhaalt over het “kuldershuis” aan de Martelaarslaan, dat in de jaren 1930 is afgebrand.
De verzoening (roman, 1990), handelt over een Gentse familie die verdeeld is door de taalkwestie. Het is tezelfdertijd een terugblik op het textielproletariaat. De roman speelt zich af in Gent, Brussel en Armentières.
Zijn cursiefjes, van 1961 tot 2001 opgenomen in Vooruit en nadien in De Morgen, spelen zich vaak af in het Gentse.

[Helena de Vetter]

Over P. de Smet: