terug naar index
De Vriendt, Maximilien

(Veere, Zeeland, 31.01.1559 - Gent 27.12.1614)

Katholiek Neolatijns dichter (onder de humanistennaam Maximilianus Vrientius) en ambtenaar. Door zijn huwelijk met Josyne de Harduwijn werd hij de oom van de dichter Justus de Harduwijn (eveneens voorzien in het Lexicon).

In Gent studeerde hij aan de Hiëronymietenschool in het Geraard de Duivelsteen, waar hij als leraar Joos van den Kerchove had, meester in de dichtkunst. Na studies in de Letteren in Leuven (1575-1578), ging hij Rechten studeren in Parijs, vermoedelijk om te ontsnappen aan het revolutionaire regime dat in zijn geboortestad ging heersen. Zijn peregrinatio academica (studiereis) leidde hem vervolgens naar Rome, Napels en Venetië. In 1581 was hij terug in Gent. Als katholiek en koningsgezind kon dat toen probleemloos, omdat er er tijdelijk enige matiging was ingetreden in de stad, nadat d De schepenbank van de keure vormde de eigenlijke magistraat voor het bestuur van de stad en fungeerde tevens als rechtbank in burgerlijke en strafrechtelijke zaken. De tweede bank, die van gedele, was een soort vredegerecht voor het regelen van allerlei e radicale Jan van Hembyze en Petrus Dathenus, voormannen van de calvinistische overheersing op godsdienstig vlak, naar het buitenland waren moeten vertrekken.
Toen de Spaanse veldheer Alexander Farnese, hertog van Parma, de stad Gent kwam bedreigen, werd Hembyze teruggeroepen. De Vriendt behoorde tot de vijftig katholieke burgers die op 8 december 1583 door Farnese uit de stad verbannen werden. De Vriendt trok naar het Spaanse kamp van Parma in Eeklo. Teruggekeerd op 15 mei 1584, in volle periode van beleg van Gent, werd hij onmiddellijk gearresteerd. Tot twee keer toe werd hij gefolterd als potentiële verrader. Maar Hembyze zelf begon geheime onderhandelingen met Parma en werd op 4 augustus als verrader geëxecuteerd op het Sint-Veerleplein. Gent viel op 17 september 1584 in handen van Spanje.
Op 15 november 1584 werd De Vriendt benoemd tot secretaris van de schepenen van de keure.
[ De schepenbank van de keure vormde de eigenlijke magistraat voor het bestuur van de stad en fungeerde tevens als rechtbank in burgerlijke en strafrechtelijke zaken. De tweede bank, die van gedele, was een soort vredegerecht voor het regelen van allerlei civiele geschillen tussen burgers en inzake erfeniskwesties; in het bijzonder liet hij zich in met het beheer van de goederen van wezen].

Vrientius beleefde zijn doorbraak als dichter toen hij in 1600 belast werd met het opstellen van huldegedichten en chronogrammen (tijdverzen) op de triomfbogen bij de intrede van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Een uitvoerig verslag van zijn hand verscheen in het schitterende verslagboek van alle blijde intredes van de aartshertogen: Historica Narratio Profectionis et Inaugurationis Serenissimorum Belgii Principum Alberti et Isabellae , Austriae Archiducum. Dit boek werd samengesteld door de Antwerpse stadssecretaris Johannes Bochius (1602).

Zijn populariteit dankte Vrientius vervolgens aan gelegenheidsgedichten bij vieringen, huldigingen, ook aan necrologieën (levensbeschrijvingen van overledenen) en satitirische epigrammen (puntdichten). In 1600 schonk de stad Gent hem een gouden beker uit “ gratuiteyt ende memorie ter Eere van de poesie daer inne by hem dagelyks is occuperende tot vermeerderinge van de reputatie van deze republique ”.
Hij onderhield briefwisseling met dichters en letterkundigen als Franciscus Sweertius, Daniël Heinsius, Justus Lipsius en Jacob van Zevecote. In de Delitiae C. poetarum Belgicorum huius superiorisque aevi illustrium (verzamelde dichtbundels) van Janus Gruterus (1614) werden niet minder dan 70 bladzijden aan hem gewijd.
Vrientius werkte mee aan het Etymologicum Teutonicae Linguae van Cornelis Kiliaan (3de editie, 1599), een etymologie van het Diets en het Vlaams (het eerste “moderne” woordenboek van het Nederlands met gegevens over over de oorsprong en de geschiedenis van de woorden). Hij publiceerde drie volumes met epigrammen: Epigrammatum libri IX (1603, 1607; vermeerderde editie postuum 1627), gedichten met godsdienstige inspiratie en elegieën (treurdichten) in Sacrorum carminum libri II. Quibus accessit ad finem Liber Elegiarum Singularis (1614) en een groot aantal korte lofzangen op Vlaamse en Brabantse steden in Flandriae Comitatus et Brabantiae Ducatus Urbes (1614).
Bij zijn overlijden was hij met roem overladen. Hij werd begraven in de (thans verdwenen) dominicanenkerk.

[Johan Decavele]

Over M. de Vriendt: