terug naar index
Deconinck, Romain

(Gent, 07.12.1915 - Gent, 01.12.1994) 

Veelzijdig Gents acteur, regisseur, auteur van volkstoneel, van film- en tv-scenario’s en van cursiefjes. Hij werd geboren in de Sint Pieters-Vrouwstraat, thans Sint-Kwintensberg, waar nu een frituur is gevestigd. Vanaf oktober 1916 bracht hij zijn kinderjaren door aan de Ottergemsesteenweg, ter hoogte van de Stropstraat. Daar schreef hij als twaalfjarige zijn eerste toneelstukjes die hij opvoerde met en voor zijn vriendjes, ook de buren vormden zijn eerste publiek.
In  juni 1937 treffen we hem in de Leopoldstraat (later Keizer Leopoldstraat). Vanaf augustus 1947 woonde hij in de Hofstraat, drie maanden later, vanaf oktober 1947, in de Walpoort(brug)straat, vanaf januari 1954 in de Lucas de Heerestraat en vanaf november 1955 aan de Bruggravenlaan. In december 1959 verhuisde hij naar Gentbrugge, naar de Kardinaal Mercierlaan. In december 1967 keerde hij terug naar de Hofstraat in Gent en in september 1975 verhuisde hij een laatste maal, naar de Tijgerstraat.   

De leerjaren 

Als jongeling werd hij spelend lid bij twee gerenommeerde gezelschappen: de Koninklijke Maatschappij De Melomanen die over een mooie theaterzaal beschikte in de Savaanstraat, en Geluk in ’t Werk in de Ooievaarstraat. Om den brode was hij retoucheur bij de bekende Gentse fotograaf “Barbaix” gevestigd aan het Sint Michielsplein. Vervolgens werkte hij als preparator-laborant in het Universitair Instituut voor Bacteriologie en Hygiëne.
Wat later volgde hij lessen aan de Gentse toneelschool en leerde hij (zeven jaar avondles) tekenen in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten. In 1941 kwam impresario Dickson (vader van de zanger Henk de Bruyn) hem vragen, een stuk te schrijven voor de Minardschouwburg en er de hoofdrol in te spelen, samen met Hélène Marechal, een grote dame uit het volkstoneel. Het stuk, Past op de Velodieven (eerste opvoering  in 1941), kende een enorm succes. Het werd spoedig gevolgd door Vals geld in omloop (1941) en Stilte wij draaien (1942).

Heer en meester 

In 1943 stichtte hij zijn eigen gezelschap (dat later zou bekend worden als zijn “Beren”) en speelde hij stukken in de stijl van die tijd: revues met zang, ballet en volledig orkest. Hij bleef daarmee een hele tijd in de voetsporen van zijn illustere voorganger Henri van Daele en anderen. Van Daele speelde aanvankelijk ook nog in de Minard (naast de gezelschappen van Leo Wagenaere en Henri Bruyneel die in de jaren 1950 en 1952 verdwenen). Na de Tweede Wereldoorlog was Deconinck er heer en meester. Om de vijf weken werd een ander stuk op de planken gebracht. Tijdens de pauze en tussen twee vertoningen in schreef Romain aan zijn volgende productie. Hij zat dan op de “paardentrap”, de trap waarlangs vroeger dieren op het toneel werden gebracht. Wat hij in die jaren bracht was erg tijdsgebonden, geënt op de dagelijkse actualiteit, zoals mag blijken uit titels als Gent brokkelt af (1953), Hedde uwe nieuwe vuilbak al (1955) en Vivan de vijfdagenweek (1956).  Ook het volkse leven was een inspiratiebron. In het besef dat de mensen naar de Minard kwamen “veur te lachen” en niet om naar diepzinnige beschouwingen te luisteren, huldigde hij het principe dat sommige waarheden veel beter tot hun recht komen als zij op een volkse manier gepresenteerd worden. En Romain kón zijn publiek doen lachen, en af en toe ook even laten “schriemen”. Hij deed dat zonder moraliseren of de mensen een bepaalde opinie op te dringen. Al zijn stukken hadden een happy end want hij geloofde in de goedheid, in het positieve van de mensen. Voor vele bezoekers was de Minard zonder twijfel de open poort, de rode loper, de wegwijzer naar andere toneelactiviteiten. 

Zijn werk 

Deconinck schreef ongeveer 200 toneelstukken maar ook zijn eigen tv-serie De Kolderbrigade. Als acteur speelde hij in 12 Vlaamse en 6 Nederlandse langspeelfilms en in een 40-tal tv-producties. Op muzikaal vlak was hij actief als liedjesschrijver en zanger met 20 singles, 9 lp’s en 4 dubbel-lp’s. Bij dat alles schreef hij van 1968 tot 1973 niet minder dan 328 cursiefjes in de krant Het Laatste Nieuws en vertelde van 1954 tot 1990 elke dag een mop in De peperbus op de toenmalige Gewestelijke Omroep BRT-Oost-Vlaanderen. 

Elke eerste opvoering was voor Romain en zijn gezelschap een wereldpremière, meestal gebracht bij de aanvang van een nieuw seizoen (tijdens Gentse Feesten). Binnen het gezelschap was de spanning dan te snijden. De reactie van het publiek was van kapitaal belang voor het verder uitbouwen van de productie. Elk stuk kende ongeveer 160 opvoeringen en werd bezocht door 35.000 à 40.000 mensen. 

Geleidelijk verdwenen de revue- en de schowelementen uit zijn oeuvre en beklemtoonde hij zijn sociaal en moreel engagement. Hij behandelde thema’s en tekende personages die op een ongemeen suggestieve wijze (speels, ironisch, geestig, soms zelfs sarcastisch) de toeschouwer tot doordenken dwong. Lachenderwijze nam hij allerlei maatschappelijke onrechtvaardigheden op de korrel: machtsmisbruik, sensatiezucht, corruptie, liefdeloosheid, onverschilligheid, hebzucht, domheid, bekrompenheid... Zo ontmaskerde hij op een eenvoudige, heldere maar ondubbelzinnige manier, steeds guitig en luchtig, heel wat schijnheiligheid, bedrog, geknoei, leugen, zwendel en misleiding. Hij zette voor iedereen gemakkelijk herkenbare situaties op de scène en bracht die in een weergaloze taal waarin de rijkdom van het Gentse dialect de hoofdtoon vormde. Met zijn ontspanningstoneel, dat duizenden en duizenden toeschouwers bereikte, zette hij het publiek aan het denken.  

Romain Deconinck was een monument, de koning van het volkstoneel, ook wel eens “de vierde Gentse toren” genoemd. Enkele van zijn topwerken waren  Manne mee boarde (1955), D’ agenten  goan opzije (1963), Mijn ferme lady (1967), Bij Tante Wanne (1972), O broeder O zuster (1976) en Ne leeuw zonder tanden (1978). Hij zette bovendien een aantal onvergetelijke Gentse figuren op de planken, zo onder meer Nonkel Miele en Fiene Slameur maar ook Karelke Waeri (de laatste in Boter aan 4,95 fr., 1951).  

Vanaf 1988 speelde zijn gezelschap in de gemeentelijk feestzaal van het Dienstencentrum te Ledeberg. De gezondheid van de meester ging dan al snel achteruit, het publiek bleef weg. Hij overleed in de late namiddag van 1 december 1994. Vlaanderen rouwde. Hij werd op 7 december begraven op de Westerbegraafplaats (plein 2, rij 2, graf 6). Dankzij een initiatief van plastisch kunstenaar Etienne Hublau kreeg de Gentse Molière een standbeeld, zittend op de trappen vóór “zijn” Minardschouwburg. Het werd onthuld op 27 juni 1997. Het beeldt hem uit in zijn lievelingsrol, die van Kamiel Sprotaert, een sloddervos die het nooit verder bracht dan hulpinspecteur van de politie.
In 2005 werd hij door de lezers van dagblad De Gentenaar verkozen tot “Gentenaar van alle tijden”. Door dialectoloog Johan Taeldeman werd hij “ambassadeur van het Gents” genoemd. 
  

Het archief van Romain Deconinck wordt bewaard in het Amsab – Instituut voor Sociale Geschiedenis te Gent; de Stedelijke Openbare Bibliotheek bezit talrijke van zijn gepubliceerde stukken.

[Claude Marissael] 

Over R. Deconinck: