terug naar index
Delmotte, Karel

(Gent, 11.06.1838 - Gent, 11.02.1890) 

Kolenhandelaar en dichter.
Bij zijn geboorte woonde hij in de Sint-Lievensstraat en later aan de Grote Huidevettershoek. 

Hij publiceerde bijdragen in de tijdschriften De eendracht, De vlaemsche school , het Letterkundig jaarboekje 1860-1863 en De Vereeniging. Zijn omvangrijke bundel Dichtproeven dateert uit 1876.  

Omdat Delmotte exemplarisch is voor de “missie” tot rijmen van veel 19de-eeuwse arbeiders-auteurs, citeren we kort uit de Dichtproeven. Uit het voorwoord: “... Liefde voor de dierbare moedertaal, dichterlijke aandrift, lust naar studie alleen hebben mij aangevuurd tot het schrijven mijner thans eerst in ’t licht verschijnende dichtproeven. (...) Tot den werkersstand behoorende, van jongs af aan vast aan den arbeid en zorgen, heb ik bijna niet één van de in dezen bundel voorkomende stukken kunnen volmaken zonder er nu en dan niet te zijn van afgetrokken geworden.” 

En in een gedicht over “”Mijn doel”, zijn roeping als dichter, lezen we:
“... dat alleen mijn tonen klinken
Voor der Vaadren grootsche faam;
Om den laster te doen zinken
Den hun aangewreven blaam.
(...)
Dat de wenk van Hooger Hand,
Die den boezem ons doet gloeien,
Vrije tonen doe ontvloeien
Voor de Taal en ‘t Vaderland.” 

De bundel bevat menige ode aan Gentenaars als Jacob van Artevelde, Karel Lodewijk Ledeganck, Prudens van Duyse, Adolphe Quetelet, aan de Zetternamskring en aan de Koninklijke Maatschappij Broedermin en Taalyver. In een omvangrijke lofzang op Gent (Overzicht, p. 351-360), verwijst hij bijna letterlijk naar Ledeganck: Toen, Gent, gij bloeme der drie zustersteden...”

[Frans Heymans]

Over K. Delmotte: