terug naar index
Depauw, Valère

(Ronse, 07.04.1912 - Brasschaat, 02.08.1994)

Boekhandelaar, uitgever, journalist en romanschrijver.
Hij was voorbestemd om het textielbedrijf van zijn vader over te nemen en lid te worden van de Franstalige burgerij van zijn geboortestad. Hij koos echter voor een andere weg, opende een boekhandel, werd vertegenwoordiger bij de uitgeverij Manteau, begon zelf een uitgeverij en werd journalist en hoofdredacteur bij het toenmalig weekblad Panorama. Maar hij werd vooral schrijver van romans die hij publiceerde onder eigen naam maar ook onder pseudoniemen als Peter Pan, Bernard van Goor en Piet Canneel.  
Uit sociale motieven sympathiseerde hij tijdens de Tweede Wereldoorlog met het Vlaams-nationalisme. Na de oorlog werd hij een jaar lang geïnterneerd. Nadien zou hij zich afzetten tegen wat hij de excessen van de repressie noemde. Dat deed hij onder meer in De dood met de kogel (1952).  
Zijn schrijverscarrière was succesvol. Begonnen als volksschrijver, met o.m. zijn debuut Tavi (1937), poogde hij nadien met wisselend succes het populaire genre te overstijgen. Hij behandelde uiteenlopende thema’s: zijn ervaringen als krijgsgevangene (in Kerstvisioen in het Stalag, 1943), de hem bekende weefnijverheid (met de trilogie Het geslacht Wieringe ,1962) en met middeleeuwse onderwerpen (met Lutgardis-trilogie, 1984, over de H. Lutgardis en de vrouwenbeweging in de 13de eeuw). Voor dit laatste kreeg hij de Karel Barbierprijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en de Scriptores catholici-prijs 1983.   

V. Depauw en Gent 

Tussen 1938 en 1943 baatten hij en zijn vrouw in Gent een boekhandel uit, tot hij werd opgeroepen voor de achttiendaagse veldtocht. Nadien werd hij als krijgsgevangene naar Oostenrijk gevoerd. Over zijn legerdienst schreef hij De 15de compagnie (1943), waarin de toenmalige Sint-Pieterskazerne, gevestigd in de gebouwen van de vroegere abdij, aan bod komt.  

Als boekhandelaar kwam hij in contact met marginale kunstenaars die een onderkomen hadden gevonden in het Pand, toen nog een huurkazerne. De neerslag daarvan is te lezen in zijn verhaal Wij artiesten (1943).  

Steeds in dezelfde periode had hij goede contacten met Gentenaar Johan Daisne, vooral gekend voor zijn magisch-realistisch werk. Later zou ook Depauw zich – kortstondig weliswaar – toeleggen op dit literaire genre, met zijn roman Op weg naar Montségur (1976) waarvoor hij in 1978 de Interprovinciale prijs van de Vlaamse provincies kreeg. 

Het geheim van de dubbele muur (1969) is Depauws meest “Gentse” roman. Dit lichtvoetige verhaal is geschreven in een stijl die anno 2009 wat archaïsch aandoet. Het thema ervan is geïnspireerd door het aanslepend onderzoek naar de ophefmakende diefstal, in 1934, van De Rechtvaardige Rechters uit het veelluik Het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck. Met humor voegt Depauw daarin een eigen thesis toe aan de zin en de onzin (de vele zogenaamd “zekere” vindplaatsen) die in de loop der jaren over de diefstal al verscheen.

[Peter Leyman]

Over V. Depauw: