terug naar index
Deschamps, Eustache

(Vertus en Champagne, ca.1345 - ca.1405) 

Frans dichter, ook bekend als Eustache Morel. Dankzij de steun van zijn beschermheer Guillaume de Machaut, componist, dichter en kanunnik van de kathedraal van Reims, studeerde hij rechten aan de universiteit van Orléans. Hij bekleedde diverse functies aan het hof van de Franse koningen Karel V en Karel VI. Hij was een uiterst productief dichter: zijn werk omvat 1500 gedichten (zo’n 82.000 verzen), meestal in de vorm van balladen, naar het voorbeeld van zijn meester Machaut. Hij schreef ook talrijke fabels, waarvan later Jean de La Fontaine er enkele heeft geïmiteerd. Zijn meest omvangrijke werk is het onvoltooide Miroir du mariage, een hevige satire tegen de vrouwen.
Omstreeks 1375 bezocht hij Brugge, waar hij een exemplaar van Le Livre du Voir-dit, een liefdesroman van Guillaume de Machaut, plechtig overhandigde aan graaf Lodewijk van Male, en er voor een ridderlijk gezelschap uit voorlas. Tevens is hij in Brussel geweest waar, volgens een rondeel dat hij daar dichtte, “de badhuizen aangenaam zijn, de stoven, de meisjes behaaglijk...” 

E. Deschamps en Gent 

Tijdgenoot van de geschiedschrijver Jean Froissart, is in zijn werk ook de neerslag te lezen van de politieke revolte van Gent tegen graaf Lodewijk van Male in de jaren 1380. In het door de graaf te hulp geroepen koninklijke leger van Karel VI trok hij immers tussen 1382 en 1386 vier keer naar Vlaanderen. Zo was hij op 27 november 1382 aanwezig bij de Slag van Westrozebeke tussen het Gentse leger en Van Male. Laatstgenoemde had de hulp van de Franse koning ingeroepen. Terloops weze hieraan toegevoegd dat Filips van Artevelde sneuvelde in deze slag. In 1383 nam Deschamps deel aan het Franse beleg van Damme, dat door de Gentse troepen van Frans Ackerman was ingenomen.
Anders dan de Henegouwer Froissart, hield de Fransman niet op het rebelse Gent te overstelpen met vernietigende scheldtirades en boosaardige verwensingen. In een tiental balladen die hij aan Vlaanderen en Gent wijdt, spuwt hij zijn gal overvloedig uit: “Ze schaden iedereen en zijn niemand van nut: in geen enkel land leeft zo’n slecht volk”. Of nog: “Hen wachte het lot der uitgeroeide volkeren: prompt moet geheel en al worden weggeveegd Gent in Vlaanderen en heel dit valse land”. Zijn machteloze woede spruit evenwel mede voort uit zijn zelfbeklag om de vele ontberingen die hij als oorlogsverslaggever moest ondergaan: de koude, het geploeter door de modder, nauwelijks drinkwater, geen behoorlijk bed, het gemis van de kruik wijn...  

[Johan Decavele]

Over E. Deschamps: