terug naar index
Destanberg, Napoleon

(Gent, 07.02.1829 - Gent 01.09.1875, ps: Baas Kimpe, Cies van Gendt, Jan Kadul).

Journalist, toneelschrijver, -acteur en -regisseur, dichter en liedjesschrijver.
Zijn opvoeding was vooruitstrevend en antiklerikaal. Hij studeerde aan een stadsschool, aan de Gentse Rijksnormaalschool in de Hoornstraat en aan het Atheneum (Ottogracht). Na één jaar Rechten aan de Gentse universiteit koos hij voor het beroepsleven: hij werd dagbladschrijver en dichter.
Als journalist-vertaler was hij verbonden aan de sociaal-liberale krant De Broedermin, de dagbladen Journal de Gand  en De Stad Gent (opvolger van De Broedermin; hij werd er redacteur; zijn wekelijkse feuilletons ondertekende hij met “Cies van Ghendt”. Zelf stichtte hij het humoristisch toneelblad De Eyerboer.   

Destanberg was wat men thans een progressieve liberaal zou noemen. Zijn antiklerikale ingesteldheid had een sociale, en geen confessionele achtergrond.
Reeds in de jaren ’50 en ’60 van de 19de eeuw (d.i. decennia vóór het ontstaan van de Belgische Werkliedenpartij) kwam hij op tegen de armoede, de hongerlonen, de vrouwen- en kinderarbeid, de onrechtvaardigheden bij het loten voor militaire dienst, de politieke pluimstrijkerijen enz. Hij pleitte voor verplicht onderwijs, voor de geestelijke ontwikkeling van de arbeiders die – vond hij – zélf hun belangen zouden moeten kunnen verdedigen. Deze ideeën werden toen enkel in de beginnende liberale partij verdedigd, zeer tot ongenoegen van de conservatieve katholieken en de vooral Franstalige liberale doctrinairen. Van een rasecht liberaal evolueerde hij naar een socialist avant la lettre – en werd hij dus een controversiële figuur in eigen politieke kring.
Die sociale ingesteldheid kleurt veel van Destanbergs literair werk, het duidelijkst wellicht in het lied Zonder den werkman (met het refrein “Wat zoudt ge zonder ‘t werkvolk zijn”?). Zoals andere werd dat gedicht later door de socialisten overgenomen. 

De literator 

De bibliografie van zijn werken getuigt van een ongemene veelzijdigheid. Alleen al de lijst van zijn originele of vertaalde toneelstukken omvat 113 titels met daarbij éénakters, blijspelen en zangspelen als  Poets wederom poets (waarvoor hij in 1865 de prijs van het Gentse Broedermin en Taelyver voor zangspelen kreeg), Maria van Burgondië (1855, muziek van Karel Miry) en Mast en Danneels (1861, muziek van Miry). Voorts vertaalde hij lyrische drama’s (o.m. Tartuffe van Molière, 1865, Macbeth van Shakespeare, 1869, en De ellendelingen, 1863, naar Victor Hugo). Hij schreef cantates (o.m. Jacob van Artevelde, op muziek gezet door François Auguste Gevaert en De maaiers, getoonzet door Peter Benoit) maar ook samenspraken, monologen en operettes. In het taalkundig braakland dat Vlaanderen in 1850 nog was, begreep hij zeer vroeg de noodzaak, theaterstukken in het Nederlands te schrijven en een scène te scheppen voor het opvoeren ervan.
Theaterkritiek publiceerde hij in De Eyerboer, De Stad Gent, de Gentse franstalige bladen en de Antwerpse liberale kranten De Koophandel  en Le Précurseur. 

Als dichter etaleerde hij onverbloemd zijn volks, democratisch engagement, maar hij schreef ook natuurgedichten, kinderverzen, hekeldichten en didactische poëzie. Zijn gedichten werden samen met zijn talrijke liederen bijeengebracht in de bundel Liberale liedjes en gedichten, 1846-1866 (1866). 

Hij schreef  biografisch werk, o.m. over Hippoliet van Peene (dat hem eveneens in 1865 de prijs van het Gentse Broedermin en Taelyver voor biografie opleverde) en over Marie Doolaeghe. 

N. Destanberg en Gent  

Hij werd geboren aan de Geldmunt, woonde vanaf 1831 met zijn moeder (weduwe, groentenverkoopster) aan de Groentenmarkt, verhuisde in 1838 naar de Korte Munt en in 1847 naar de Chartreuzenstraat.
Na een kort verblijf in Den Haag (als journalist bij een Franstalig dagblad) en, vanaf 1853, drie jaar in Antwerpen (waar hij als acteur, dramaturg en regisseur verbonden was aan het rondreizend Nationaal Tooneel), keerde hij in 1858 terug naar het Gentse, vermoedelijk naar Sint-Amandsberg waar hij aan de Hoge Weg en de Slotenkouter woonde. In 1884 vestigde hij zich in het Gentse Groot Begijnhof, in het Huys de vijf wandekes. 

Bij het doorbladeren van Alle liberale liederen en gedichten (in 1989 fotomechanisch herdrukt door het Liberaal Archief, Gent) merkt men meteen hoe dicht Destanberg bij het gewone volk stond. Titels en teksten als De werkmanskiel, Het fabrieksmeisje, Een lied voor ‘t volk en vooral Zonder den werkman zijn sprekend. Als een rijmende kroniekschrijver (die wist wat armoede was) becommentarieerde hij de politieke en sociale actualiteit, nu eens geestig en schalks, dan weer critisch, in volle ernst. “Waarom te zingen voor ‘t geld of voor de rijken?” vroeg hij zich als 20-jarige reeds af in zijn gedicht Arme jongens. Zijn antwoord: “ ‘k wil dat mijn broeders soms vreugde rapen”, “en ‘k wil bij mijn broeders blijven / Aan anderen ‘t geld! – Het volk aan mij!”.
Uit tal van zijn gedichten en liederen blijkt bovendien hoe zeer de stad Gent zijn sociale biotoop was, lees maar De Gentsche verhuizing, De jongens van Gent of ‘t Volk van Artevelde, Het Gentsche bier of Jaak van Artevelde. Zelfs als hij in het algemeen schrijft over een gebeurtenis of een feit, dan nóg duikt Gent vaak wel ergens op als referentiepunt. 

Zijn liederen speelden een belangrijke rol in het Gents leven. Bij veel gezinnen kwam geen krant in huis maar de straatzangers maakten ze bekend en zorgden zo voor het nieuws én voor de politieke bewustwording. De herkenbaarheid van zijn teksten maakte hem bijzonder populair bij de gewone Gentenaar. Zijn faam als volksdichter steunde dan ook eerder op die populariteit dan op de écht literaire waarde van zijn werk. 

Zijn uitvaart werd een indrukwekkend publiek gebeuren. Van het Groot Begijnhof tot de Brugse Poort vormde het volk een dichte haag; de hoofdredacteurs van de kranten waaraan hij meewerkte en vertegenwoordigers van talrijke toneel-, zang-, muziek- en letterkundige verenigingen stapten mee in de lijkstoet.
Hij werd begraven op de Westerbegraafplaats (toen “geuzenbegraafplaats” genoemd) waar, op initiatief van een groep bewonderaars, een praalgraf werd opgericht (graf 394-R), een arduinen obelisk met een medaillon van beeldhouwer Isidoor de Brucq.
In 1901 werd zijn borstbeeld, samen met dat van Hippoliet van Peene – beide van Edmond de Vigne –  in de pas gebouwde Nederlandse Schouwburg geplaatst. 

Het stadsbestuur eerde hem met een straatnaam. Aan de Vlaamse Kaai werd in 1898 een “villa”, een dubbelwoonst gebouwd die, hem en componist F.A. Gevaert ter ere, “Villa Nap. Destanberg” en “Villa F.A. Gevaert” werd genoemd. Ze was versierd met twee reliëfs waarop de kunstenaars in profiel werden afgebeeld, en met het opschrift “De liefde tot zijn land / is ieder aangeboren / Vondel. / ’t Zijn de jongens van Gent / Artevelde’s Cantate 1863 / Vrijheid Volksliefde / Kunst / We moeten aan ’t volk / een nieuwe ziel schenken”. Deze dubbelwoonst werd afgebroken in het begin van de jaren ’70 van de 20ste eeuw. Zie hierover onder “Vlaamse Kaai”.
Het Liberaal Archief gaf een CD uit: Bleiw en ruud es nog geen purper, een bewerking van 15 liederen van Napoleon Destanberg, in het Gents omgezet door Freek Neirynck en Marc Reynaerts, gezongen door Marc Reynaerts en de Kokedies, op muziek van Philippe de Chaffoy.  

[Nicole Verschoore]

Over N. Destanberg: