terug naar index
d'hanins, Albertus-Ignatius

(Brussel, 02.08.1621 = doopdatum - Gent, 23.02.1707)

A.-I. d’Hanins werd gedoopt in Brussel. Allicht ten onrechte vermelden sommige bronnen dat hij geboren is in het Land van Waas. Hij werd begraven in een massagraf in het Gentse Recollettenklooster (dat zich bevond aan het toenmalige Recollettenplein – later Koophandelsplein – op de plaats waar rond 1836 het Justitiepaleis gebouwd werd). 

Nadat Gent tijdens zijn jeugd herhaalde malen bezet was door de Franse legers van Lodewijk XIV, sloot hij zich aan bij het Spaanse leger waar hij de graad van kapitein had. In 1666 beëindigde hij de militaire dienst en vestigde hij zich definitief in Gent. Het tijdschrift De Vlaamse stam vermeldt dat hij in 1681 in de Korte Meer woonde. Zijn wapenspreuk was “Deught baert Vreught”. 

Als auteur schreef hij voornamelijk in versvorm (minneliederen en gelegenheidsgedichten), in het Latijn, het Vlaams, het Frans en het Spaans en soms zelfs in een mengeling van die talen. Hij moet zich dus een zekere geleerdheid of belezenheid hebben eigen gemaakt.
In één van zijn gedichten (Gheluckwensch aen Syne Majesteyt Carolus den Tweeden, Coninck van Spagnien, Hertogh van Brabant, Grave van Vlaenderen, enz... toen hij in 1666 als Grave van Vlaenderen te Gent werd uitgeroepen) betoogde hij zijn aanhankelijkheid aan het Vlaams en aan de Maagd van Gent in volgende bewoordingen:

Schoon datter in het hof geen Vlaemsch meer wordt gesproken,
En dat ons vorst sinds lang ’t gebruyck heeft afgebroken
Der Nederlandsche tael; nochtans mijn sanggodin
Wilt door een vlaemsch gedicht bewysen hare min
Ons edel Gentsche maegt, zoo zy ’t verwijt moest hooren
Dat zy niet voorts en quam met eenigh vlaemsch ghedicht
Tot eer van haren vorst en quyging van haer plicht.

Slechts weinig werken van hem werden zelfstandig uitgegeven en de literaire waarde daarvan was eerder gering. Gevolg: ze verschenen in beperkte oplagen én ze bezorgden hem geen breed publiek. Wél nog relatief gekend is het in 1653 verschenen Het bevel van Cupido, bestaende in dry deelen : minnelietjes, herdersgedichten en kluchten.
Naar aanleiding van allerlei gebeurtenissen schreef hij talrijke gelegenheidsgedichten zodat men hem als een der pioniers van de journalistiek kan beschouwen.
Uit de stadsrekeningen kan men afleiden dat hij geregeld schreef in opdracht van (en/of daarvoor vergoed door) het Gentse stadsbestuur. Zo schreef hij in 1663 een “rymspel”, Liederick de Buck, dat hij opdroeg aan de Gentse magistraten. Men zou hem dus tevens als een Gentse stadsdichter kunnen bestempelen.
[Bovenstaand lemma is een sterk ingekorte versie van een nog niet gepubliceerde nota van ondergetekende]

[Jean-Pierre d’Hanens]

Over A.-I. d’Hanins: