terug naar index
D'Hulster, Leo

(Tielt, 15.01.1784 - Gent, 15.05.1843) 

Leo d’Hulster werd in 1809 leerling aan het Gentse Grootseminarie, dat hij in 1811 verliet, waarschijnlijk om financiële redenen.  Vier jaar later kwam hij naar Gent terug. Van 1815 tot 1838 was hij als leraar Latijnse syntaxis en Vlaamse letterkunde werkzaam aan het Koninklijk Collegie (later Collège royal en Athénée royal). Hij was een prominent figuur in het Gentse Nederlandstalige verenigingsleven.
In de jaren 1820 was hij secretaris van het literaire genootschap Regat Prudentia Vires, dat zich toelegde op de studie van de Nederlandse taal- en letterkunde. De leden kwamen wekelijks bijeen in een eigen lokaal in de oude Baudeloabdij waar de Universiteitsbibliotheek (toen ook nog Stadsbibliotheek) gevestigd was. De stuwende kracht achter dit genootschap was de Nederlander Joannes Matthias Schrant, die aan de Gentse universiteit Nederlandse taal- en letterkunde, vaderlandse geschiedenis en welsprekendheid doceerde. Waarschijnlijk kregen in die periode D’Hulsters orangistische sympathieën vorm.
D’Hulster was een verdienstelijk dichter. Hij schreef vooral gelegenheidsgedichten, oden en lierzangen. In Het Vaderland (1823) bezong hij zijn gehechtheid aan Vlaanderen. Belangrijk is ook het essay dat hij wijdde aan de Reinaertvertaling van Jan Frans Willems. Daarin schonk hij aandacht aan de ontluikende Vlaamse Beweging. Zijn werk werd postuum uitgegeven door Prudens van Duyse (D’Hulsters lettervruchten, 1845).
Van 1837 tot 1839 was D’Hulster lid van de commissie die in opdracht van de Belgische regering een aangepaste spelling van het Nederlands moest voorstellen. Hij was een pleitbezorger van het Algemeen Nederlands en ontpopte zich tot grote opponent van de particularist Pieter Behaegel, die de nadruk legde op het taalverschil tussen Nederland en in Vlaanderen. In 1839 publiceerde D’Hulster een Woordenlyst voor spelling en uitspraek, een soort groen boekje avant la lettre in de commissiespelling. 

[Hans Vanacker]

Over L. d’Hulster: