terug naar index
Duym, Jacob

(Leuven, ?.?.1547 – Mutsebrouck/Brabant, vóór 1624)

Vlaams toneelschrijver en historicus, vanaf 1574 lid van de Leuvense dekenij. Hij was als militair in dienst van de Nederlandse prins Willem I  en vocht in 1584 mee in de slag om Lillo. Na 22 maanden Spaanse gevangenschap (1585-1586) kocht hij zich vrij en vestigde zich in 1588 als letterkundige in Leiden. Daar werd hij in 1591 tot keizer van de Vlaamse (!) rederijkerskamer d'Oraigne Lelie benoemd. Zijn kenspreuk was “Reden verwint”.

Jonkheer Duym schreef zes stichtelijke, allegorische toneelstukken over de deugden, gebundeld in een Spiegelboeck (1600) en zes historische toneelspelen, gebundeld in een Ghedenckboeck. Dat laatste handelt o.a. over de val van Antwerpen en de moord op prins Willem van Oranje. Daarnaast leverde hij nog lofdichten en historisch werk af, zoals Historie der Graven van Holland, Zeeland ende Vriesland (1606) en Corte historische beschryvinghe der Nederlandsche Oorlogen (1612). In 1608 keerde hij terug naar de Zuidelijke Nederlanden en verbleef in Ekeren bij Antwerpen.

Duym gebruikte als eerste de term tragikomedie en zette in middeleeuwse traditie de “spelen van sinne” voort. Deze vrij onbekende rederijker stond in hoog aanzien bij zijn tijdgenoten Daniel Heinsius en Karel van Mander. Recent is hij om zijn vele bijzonderheden over de Spaanse tijd de interessantste toneelauteur van eind 16de eeuw genoemd en een overgangsfiguur naar de renaissance.

J. Duym en Gent

Duyms Ghedenckboeck (1606), opgedragen aan Prins Maurits van Nassau, bevat ook een belangrijke Gentse passage. Het moordadich stuck van Balthasar Gerards, begaen aen den doorluchtighen Prince van Oraignen, 1584, dat erin is opgenomen, dramatiseerde de achtergronden voor de moord op Willem van Oranje.
Het stuk behandelde dezelfde stof als het Latijnse Auriacus, sive Libertas Saucia van Daniël Heinsius (dat Duym wellicht heeft zien opvoeren), maar verschilde grondig in lengte, uitwerking, stijl en visie. Wijdlopigheden zijn weggelaten, historische feiten verbonden met de actualiteit anno 1606. Duym sprak de lezer ook direct aan (in proloog en epiloog) en vulde de scenes levendiger in om het drama dichter bij het volk te brengen.

In het eerste bedrijf, tweede toneel, komen de Gentenaren aan het woord die omwille van de godsdienstvervolging door de Spanjaarden uit Vlaanderen gevlucht waren. Alle rangen en standen, zowel stadsmagistraten en edelen, als handels- en ambachtslui, roemen hun “edele stad Gent”, “die lieflijke lusthof”. De Gentenaren (die in 1576 mede de Pacificatie onderhandelden) gaan in Duyms stuk zelfs over tot een collectieve schuldbekentenis, dat zij te snel genoegen hebben genomen met het overleg en zo de Spanjaarden in de kaart gespeeld, misschien leidden hun daden zelfs tot de moord op de Prins.

Uit Het moordadich stuck… sprak een vroeg nationaal bewustzijn en engagement om de vrijheidsstrijd van de Nederlanden voort te zetten. Duym haalde veel van zijn dramatisch verhaal uit eigen ervaringen, “meestendeel met mijn ooghen ghesien en met mijn ooren ghehoort hebbende ende als een die den Spaenschen haet soo in Crijchshandel, soo in ghevanghenis, als in verlies van mijne goederen ghenoech beproeft hebbe.” Zo gaf hij - anders dan in die tijd gebruikelijk - een erg realistische kijk op de Spaanse bezetting en de leeggeplunderde Nederlanden.

[Jean-Paul den Haerynck]

Over J. Duym: