terug naar index
Elsschot, Willem

(Antwerpen, 07.05.1882 - Antwerpen, 31.05.1960)

Willem Elsschot is het pseudoniem van Alfons Jozef de Ridder die ook anoniem publiceerde én onder de pseudoniemen Absolon met de korte haren, Nicodemus en Willy.
Hij groeide op in Antwerpen en behaalde het Handelsdiploma. De zwendelpraktijken die in Lijmen centraal staan leerde hij van de Argentijnse zakenman Alfredo H. Bustos in Parijs. Van 1908 tot 1910 werkte hij op kantoren in Rotterdam en Brussel, waar hij met Jules Valenpint de befaamde Revue Continentale Illustrée oprichtte. Na de oorlog verzorgde hij (met zoon Walter) veel prestigieuze uitgaven: o.a. voor kardinaal Mercier en het Livre d’Or du Centenaire de l’Indépendance Belge 1830-1930.
Villa des roses (1913) verscheen na voorspraak van Cyriel Buysse eerst als feuilleton in Groot-Nederland. Hier dook het pseudoniem Willem Elsschot op, naar Willem die Madocke maakte (dierenepos Van den Vos Reynaerde) en naar het bos Helslot bij Blauberg/Herselt. Veel autobiografische elementen uit familieleven en zakencarrière inspireerden hem tot unieke en stilistisch sterk geconcentreerde romans. Zijn wrange humor en laconieke weergave van de werkelijkheid verbergen een grote sociale bewogenheid.
Elsschot werd beroemd met Lijmen (1924) en Kaas (1933). Zijn alter ego’s, de idealist Frans Laarmans, en de scrupuleuze zakenman Boorman lijmen steeds weer nieuwe lichtgelovigen voor publiciteit in het Algemeen Wereldtijdschrift. Kaas, een kostelijke persiflage op zakenwereld en eerzucht, werd ook gelezen als afrekening met de literaire wereld. Nog autobiografischer was Tsjip (1934). In de prachtige novelle Het dwaallicht (1946) zoeken drie Afghanen met Laarmans in het labyrint van de Antwerpse straten vergeefs naar hun reddende engel Maria van Dam.
Omstreden is het fel flamingantische gedicht Aan Borms.
In zijn hele werk neemt de burgerman het op tegen de dichter, de rede tegen de romantiek.
Elsschot werd bekroond met o.a. de Letterkundige Prijs van de Provincie Antwerpen, de Driejaarlijkse Staatsprijs voor verhalend proza, de Constantijn Huygensprijs en (postuum) de Staatsprijs ter bekroning van een schrijversloopbaan.

W. Elsschot en Gent

De Snoecks Almanakken en Tierenteyn
Met ingang van Snoeck’s Grote Alamanak 1949 werd De Ridder alleenverkoper van de advertentieruimte en kreeg hij een hoofdstuk uit Kaas gepubliceerd. Hij begon echter al in 1941 voor Snoeck-Ducaju & Zoon in Gent (Begijnhoflaan nrs. 462-464) te werken en leverde onder het pseudoniem Nicodemus in 1943 een literair getinte “publiscopie” voor de Nationale Landbouw- en Voedingscorporatie. In 1948 volgde een naamloze reclametekst voor de Gentse mosterdfabrikant Tierenteyn (Brugschesteenweg, later Bevrijdingslaan, tenslotte Bisschop Seghersplein nr. 16). Negen van die Tierenteyn-varianten verschenen tussen 1949 en 1960 in de Snoecks

Het Korthals-hoofdstuk in Lijmen
In de eerste gedrukte versie (De Vlaamse gids, april-september 1923) is het beginhoofdstuk van de manuscriptversie (ca. 1918) komen te vervallen en is het Gentse hoofdstuk “De Korthals XIV en XV” de eerste ontmaskering in de Lijmen-traditie. Oplichter Boorman vertrekt met Laarmans naar Gent om wraak te nemen op begrafenisondernemer Korthals. Via trein en taxi (zoals Elsschot zelf deed) gaat het naar de “Rue du Haut-port” (Hoogpoort) waar ze eerst Korthals’ fotograaf de originele foto’s van de “motorlijkkoets” afhandig maken om daarna Korthals zelf, wiens zaak op loopafstand ligt, te chanteren. Ze smeren hem bovendien nog 20.000 exemplaren van het Wereldtijdschrift aan, “cette revue du diable”.

Doornzelestraat
Een opvallende vermenging van Elsschots zaken en zijn literair leven in Gent ontdekte Boris Rousseeuw in het Mundaneum te Brussel in enkele afleveringen van La revue continentale. Waar Boorman in Lijmen, hoofdstuk 5, aan Laarmans de “variantentechniek” voor het Algemeen Wereldtijdschrift demonstreert, blijkt geen letter verzonnen: het citaat komt uit een “studie” over opvoeding en scholing van bourgeoismeisjes bij de Société des Dames de l’Instruction Chrétienne à Gand. De loftuiting in lyrische bewoordingen in de Revue, jrg. 4, nr.12 is uiterst compleet en volledig volgens Boormans credo opgebouwd met “grote clichés” (kapel, wintertuin, sportzaal en zwembad). Het genoemde Gentse internaat is in 1823 ontstaan uit een 17de eeuwse refuge (naast de Heilig Kerstkerk, hoek Doornzelestraat) van de oude abdij van Dooresele/Kluizen. De modelschool kreeg ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling1913 hoog bezoek. Van school en klooster (nieuwe hoofdingang in de Sint-Salvatorstraat) zijn enkel nog verminkte resten over.

Gentsche groeters (aan Daan Boens)
Elsschots goede vriend Daan Boens werkte in Gent bij de socialistische krant Vooruit, tot die door de Duitsers ingepalmd werd. Onder schuilnamen bleef Boens echter om den brode publiciteit en drukorders werven bij extreem-rechtse groeperingen (De Nationaal Socialist, Dinaso) en gebruikte hij zijn connecties met collaborerende functionarissen. Na de Tweede Wereloorlog werd Daan Boens daarvoor veroordeeld, maar in hoger beroep vrijgesproken. In het gedicht Gentsche groeters betuigt Elsschot zijn steun aan Boens en neemt hij de bevooroordeelde Gentse bevolking op de korrel.

Alarm in Gent
Elsschot kende Gent goed van zijn zakenreizen, zijn bezoeken aan zoon Willem die in Gent studeerde en via zijn Gentse vrienden. Hij kwam op de redactie van Vooruit en trad op voor Leesclub Boekuil in de stadsbibliotheek (Ottogracht). Het gedicht Alarm in Gent tekende hij op uit de mond van twee Gentse types, “monsieur de Dottenijs” en “madame (Loulou) Matthijs”. Het is – in typische bourgeois-spreektaal gesteld – een mengeling van slecht Frans en Gents dialect.

Noch de Tierenteyn-verzen, noch Alarm in Gent en Gentsche groeters (aan Daan Boens) werden opgenomen in Elsschots Verzameld werk. Volgens zijn zoon Jan weigerde Elsschot ook nog een aanbod om professor economische aardrijkskunde aan de Rijksuniversiteit Gent te worden.

[Jean-Paul den Haerynck]

Over W. Elsschot: