terug naar index
Erasmus, Desiderius

(Rotterdam of Gouda, 27 of 28.10.1466 of 1467 of 1469 - Bazel, 12.07.1536) 

De Latijnschrijvende Erasmus wordt beschouwd als de belangrijkste, meest geleerde der Europese humanisten van zijn tijd, zoniet van alle tijden. In 1492 werd hij priester gewijd. Als augustijnermonnik (te Stein bij Gouda) kreeg (en behield) hij “dispensatie” om buiten het klooster te studeren en te reizen. Als een echte cosmopoliet ondernam hij, vooral vanaf de eeuwwisseling 1500, talrijke reizen doorheen Europa. In Vlaanderen vertoefde hij voornamelijk in Antwerpen –  toen het belangrijkste boekdrukkerscentrum in de Nederlanden – Brugge, Leuven, Anderlecht en Mechelen. Eind 1515 of begin 1516 werd hij raadgever van de toen meerderjarig verklaarde hertog Karel van Brabant (de latere keizer Karel).  

Tijdens zijn vele reizen ontmoette hij talloze vooraanstaanden en geleerden waarmee hij nadien contact onderhield. Dit leidde tot een indrukwekkende schat aan brieven (3.138) die heel wat biografische gegevens bevatten, ook informatie over zijn verhouding tot Gent en tot talrijke vooraanstaande Gentse humanisten.  

Zijn gekendste werk is zonder twijfel de Lof der zotheid (1509), een allegorie waarin een Godin Zotheid, Dwaasheid, een lofrede op zichzelf afsteekt. Het is een bijtende satire op de kortzichtigheid van de mensen. Als vredelievende humanist verdedigde hij de vrijheid van de wil, de wetenschap en de gedachten. Hij klaagde de versplintering van het geloof aan en hekelde de wantoestanden in kloosters en kerken. Ironisch genoeg werd hij – die in wezen een onverzettelijk strijder voor een zuiver christelijk geloof was – daarvoor zélf van ketterse ideeën beschuldigd en als wegbereider van de Hervorming beschouwd.  

D. Erasmus en Gent  

Erasmus had nooit een vaste verblijfplaats in Gent. Op weg naar andere bestemmingen deed hij de stad nochtans herhaaldelijk aan voor enkele dagen. Afgaande op zijn correspondentie, moet hij hier zeker geweest zijn midden juli 1514, in het voorjaar van 1515 en in juni 1517, maar mogelijk was hij er al voordien en ook nog nadien. Hij ontmoette dan zijn talrijke vooraanstaande Gentse vrienden-humanisten die onderling blijkbaar om ter meest met hem dweepten. De chronologie van de brieven volgend, vermelden we er hierna enkele van; het tussen recht haken toegevoegde cijfer verwijst naar de drie verder gesignaleerde edities van Erasmus’ correspondentie waarin de brieven telkens identiek genummerd zijn.     

Robert de Keysere was een Gentse humanist. Hij stichtte een Latijnse school in zijn huis De Lintworm, het huidige restaurant De Graaf van Vlaanderen. Later werd hij drukker. In een brief van september 1503 [177] loofde Erasmus hem voor deze school; hij moedigde hem aan ermee door te gaan, ondanks de kritiek die er op gegeven werd.
De man was zo fier op deze brief, dat hij hem jaren nadien opnam in Concio de puero Jesu... (wellicht 1511), één van de twee bescheiden werkjes van Erasmus die hij zou uitgeven. Terloops: een andere Gentse drukker, Joos Lambrecht, zou in 1536 ook een tekst van Erasmus uitgeven, namelijk diens hoger vermeld verzoek aan zijn prior dat hem de reeds vermelde “dispensatie” opleverde. 

In een brief van 30 augustus 1514 [301] vertelde Erasmus aan William Blount (heer van Mountjoy) hoe hij in juli van dat jaar, op weg van Kortrijk naar Antwerpen, in de nabijheid van Gent een accident had met zijn paard. Blijkbaar liep hij daarbij een rugletsel op. Om te herstellen verbleef hij enkele dagen in Gent. Hij ontmoette er o.m. de schepenen Antonius Clava en Willem de Waele, Robert de Keysere en enkele anderen. 

De Gentse familie der Utenhoves, met vader Nicolaas en zoon Karel (die zelf vader was van de in dit lexicon opgenomen dichter Karel Utenhove) mag tot Erasmus’ “intimi” worden gerekend. Op 1 februari 1529 [2093] schreef Erasmus vanuit Bazel een brief aan Karel senior. In bevlogen woorden loofde hij die toen nog jonge Karel voor zijn kennis en zijn deugdzaamheid. Hij wees op de waardering die hij had voor vader Nicolaas (die voorzitter was van de Raad van Vlaanderen). In even bevlogen woorden roemde Erasmus de pracht en de praal van de stad Gent en de verdiensten van een aantal Gentenaars. Erasmus besloot zijn brief met twee grafschriften voor vader Nicolaas, het ene in het Latijn, het andere in het Grieks. 

Midden 1529 was Erasmus van Bazel naar Freiburg getrokken, waar hij zich minder bedreigd voelde voor de hervormers. Op 15 juli 1529 schreef zijn vriend Laevinius Ammonius (Lieven van den Sande, prior van het toenmalige Chartreusenklooster te Rooigem nabij Gent) hem een brief  [2197] waarin hij het vermoeden uitdrukte dat hij (Erasmus) wellicht op zoek was naar een veilig toevluchtsoord voor zijn oude dagen. Ammonius stelde hem voor dat hij zich daarvoor in Gent zou vestigen. “In enkele jaren tijds is hier alles veranderd”, schreef Ammonius, “zodat je hier zekerheid zult vinden. De hele Raad van Vlaanderen (toen het hoogste rechtscollege van het graafschap, zetelend in het Gentse Gravenkasteel) is je nu gunstig gezind [wat in werkelijkheid nog maar de vraag was] en in de hele christelijke wereld zul je geen enkele stad vinden waar je zoveel ware vrienden telt. Erasmus ging echter niet in op deze uitnodiging. Terloops: ruim twee jaar voordien, op 22 januari 1527 [1779] , had Erasmus zijn vriend Ammonius reeds bedacht in zijn (eerste) testament.  

Een bijzondere voorliefde koesterde Erasmus voor Lieven Algoet, geboren Gentenaar (ook wel eens Livinus Althotius, Omnibonus of Lanagathus genoemd). Net als o.m. de in Ledeberg geboren Hilaire Bertholf (ook opgenomen in dit lexicon), genoot Aelgoet middelbaar onderwijs onder de hoede van Erasmus. Later, toen Aelgoet studeerde aan het Leuvense College “der drie talen”, nam hij hem in dienst, “niet als dienaar maar wel als geadopteerde zoon” [1091 en 1716]. Wanneer de jonge Algoet zich een eerder wispelturige student toonde, spoorde Erasmus hem aan tot meer ernst [1091]. Aelgoet zou gedurende 7 jaar als koerier talrijke missies vervullen voor Erasmus. In juli 1524 pleitte deze laatste ervoor dat het hem in Kortrijk toegezegde “pensioen” verder aan Aelgoet zou worden toegekend, mocht hemzelf iets overkomen [1470]. Hij somde Algoets kwaliteiten op en besloot met wat hij  blijkbaar als ultiem argument beschouwde: “... Mijn krachtigste aanbeveling is wel dat hij in Gent geboren is”.
Erasmus zou Aelgoet herhaaldelijk met gloed aanbevelen voor verschillende functies, o.m. bij de Hongaarse Nicolaas Olahus, raadgever van Maria van Hongarije (regentes van de Nederlanden) die hem in dienst nam als secretaris, én later bij de regentes zelf aan wiens hof hij leraar van de pages werd.
Vermakelijk is het verhaal van Algoets vurige liefde voor de kleindochter van Antonius Clava. Allicht op aanstichten van deze laatste werd Erasmus gealarmeerd door Olahus (die toen bij Clava logeerde) omdat de trouwlustige jongeman nauwelijks in zijn eigen onderhoud kon voorzien; hij zou dus beter een gefortuneerde partij zoeken [2693, zie ook Kluyskens]. Nadat de twee al getrouwd waren antwoordde Erasmus kort [2707], de hoop uitdrukkend dat Olahus zich verder over Algoet zou ontfermen.  

[Frans Heymans]

Over D. Erasmus: